Signaleringen januari-februari 2012
Ook 45-plussers met schizofrenie komen met behulp van IPS eerder aan regulier betaald werk dan met andere vorm van begeleiding
Het aantal oudere personen met schizofrenie neemt toe. Voor hen zijn de specifieke belemmeringen om aan werk te komen: leeftijdsdiscriminatie, langere afwezigheid van de werkvloer en leeftijdsgebonden cognitieve achteruitgang. In deze Amerikaanse RCT werd voor het eerst gekeken naar de effectiviteit van Individual Placement and Support (IPS) (N=30) voor ouderen (45+) in vergelijking met conventionele arbeidsrehabilitatie (CVR)(N=28). 79 % van de deelnemers had de twee jaar voorafgaand aan de RCT geen betaald werk gehad, hoewel 86% ergens in hun leven ten minste 12 maanden achter elkaar had gewerkt. Na één jaar bleek 57% van de IPS-groep regulier betaald werk te hebben tegenover 29% van de CVR-groep. Als gekeken wordt naar alle vormen van betaald werk: 70% van de IPS groep had betaald werk gehad tegenover 36% van de CVR-groep. Binnen de IPS-groep werden betere uitkomsten geassocieerd met een betere functionele capaciteit zoals gemeten met de UCSD Performance-Based Skills Assessment én met recente werkervaring. Ook ouderen met schizofrenie kunnen dus nog aan werk komen met behulp van IPS.
Twamley EW, Vella L, Burton CZ, Becker DR, Bell MD & Jeste DV (2012). The efficacy of supported employment for middle-aged and older people with schizophrenia. Schizophrenia Research 135 (1–3), 100–104.
Trefwoord: IPS en SE
Ook in Zwitserland is een aangepaste vorm van IPS veel effectiever dan traditionele arbeidsrehabilitatie programma’s
De meeste arbeidsrehabilitatie programma’s voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen volgen in Zwitserland nog steeds het principe van ‘train-place’. In deze RCT werd gekeken of het in de VS ontwikkelde Individual Placement and Support (IPS), dat volgens het principe van ‘place-train’ werkt, ook in de context van de Westeuropese welvaartstaat effectief is in het aan regulier betaald werk helpen van werkloze psychiatrische patiënten. De IPS-groep bestond uit 46 personen, de controle groep (‘train-place’) uit 54. Beide groepen werden twee jaar gevolgd. Het IPS-model moest iets worden aangepast om aan de voorwaarden van het Zwitserse sociale verzekeringsstelsel te kunnen voldoen. Na één jaar bleek gemiddeld 48,2% van de IPS-groep regulier betaald werk te hebben (gehad) tegenover 18,5% in de controlegroep. In het tweede jaar had de IPS-groep gemiddeld 24,5 weken regulier betaald, tegenover 10,2 weken in de controlegroep. Van de IPS-groep had 58,7% op enig moment regulier betaald werk gehad, van de controlegroep slechts 25,9%. Deze verhoudingen komen overeen met eerdere Amerikaanse en Europese studies over IPS. Ook in Zwitserland is IPS effectiever dan traditionele arbeidsrehabilitatie programma’s.
Hoffmann H, Jäckel D, Glauser S & Kupper Z (2012). A randomised controlled trial of the efficacy of supported employment. Acta Psychiatrica Scandinavica 125 (2), 157-167.
Trefwoord: IPS en SE
Meer jongvolwassenen komen met behulp van Supported Employment (SE) aan het werk dan deelnemers uit andere leeftijdsgroepen
In deze Amerikaanse studie werd met behulp van data uit het Employment Intervention Demonstration Program (N=1272) -van de SAMSHA- bekeken of Supported Employment (SE) voor verschillende leeftijdsgroepen verschillende effecten heeft. De volgende leeftijdsgroepen werden vergeleken: jongeren (18-24 jaar), jongvolwassenen (25 tot 30 jaar) en volwassenen (ouder dan 30 jaar). Alle deelnemers hadden een ernstige psychiatrische aandoening. Voor een periode van 2 jaar werd naar de volgende uitkomstmaten gekeken: 1. verwerven van alle soorten werk; 2. verwerven van regulier betaald werk. De groepen jongeren en jongvolwassenen blijken significant vaker zowel enig werk als regulier betaald te krijgen ten opzichte van de groep volwassenen. In die periode van twee jaar had 69.1% van de jongeren, 73,2% van de jongvolwassenen en 58,3% van de volwassenen enige vorm van werk gehad. Echter: de groep jongvolwassenen scoort significant beter dan de andere twee groepen. Andere belangrijke voorspellers voor het verwerven van werk zijn: de verwachting van de deelnemer om op korte termijn werk te krijgen; geen sociale bijstandsuitkering (SSI) hebben en het aantal uren dat de deelnemer aan SE-begeleiding krijgt.
Burke-Miller J, Razzano LA, Grey DD, Blyler CR & Cook JA (2012). Supported Employment Outcomes for Transition Age Youth and Young Adults. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (3), 171-179
Trefwoord: IPS en SE.
Personen die gebruik maken van GGZ-voorzieningen omschrijven zichzelf als ‘patiënt’ of ‘cliënt’
Er worden veel verschillende termen gebruikt om personen die gebruik maken van GGz-voorzieningen mee te omschrijven: o.a. patiënt, cliënt, consument, gebruiker, overlever. Sommige van deze termen worden als potentieel stigmatiserend of als potentieel ‘versterkend’ gezien. Het doel van deze Britse systematische review was het opsporen van empirische studies naar het verband tussen het gebruik van één van de genoemde termen en uitkomsten op schalen die stigmatisering of empowerment meten. Omdat er zulke studies niet werden gevonden, beschrijven de auteurs 11 empirische studies waarin gevraagd werd aan welke term de voorkeur wordt gegeven door de respondenten, die allen een beroep doen op de GGz-hulpverlening. De studies zijn gedaan in de UK (6), de USA (2) en Canada, Ierland en Australië (elk één). Het blijkt dat de respondenten in de UK de voorkeur geven om als ‘patiënt’ te worden aangesproken, terwijl in Amerika de voorkeur voor de term ‘cliënt’ naar voren komt.
Dickens G & Picchioni M (2012). A systematic review of the terms used to refer to people who use mental health services: User perspectives. International Journal of Social Psychiatry 58 (2), 115-122.
Trefwoord: Stigma
Verwachte discriminatie is algemeen bij mensen met schizofrenie waardoor velen niet eens op zoek gaan naar werk
Studies hebben aangetoond dat ervaren en ‘verwachte discriminatie’ (anticipated discrimination) veel voorkomen bij personen met schizofrenie. In het kader van de International Study of Discrimination and Stigma Outcomes (INDIGO) werd in 27 landen –waaronder Nederland- het niveau van ‘verwachte discriminatie’ bij 732 personen met schizofrenie gemeten met behulp van de Discrimination and Stigma Scale (DISC). Het blijkt dat 64% van de respondenten –uit alle delen van de wereld- melden niet meer op zoek te gaan naar werk, training of opleiding vanwege de verwachting dat ze gediscrimineerd zullen worden. Van deze groep zegt 72% er voor te kiezen hun diagnose voor anderen te verbergen om afwijzing te voorkomen. Degenen die hun diagnose verbergen zijn jonger en beter opgeleid. In de werkomgeving blijken de respondenten het vaakst discriminatie te hebben ervaren. Het is opmerkelijk dat respondenten die zeggen discriminatie te hebben ervaren minder hoog scoren op verwachte discriminatie. Ervaren discriminatie door anderen moet dus onderscheiden worden van verwachte discriminatie, dat meer in de richting gaat van zelf-stigma.
Üçok A, Brohan E, Rose D, Sartorius N, Leese M, Yoon CK, Plooy A, Ertekin BA, Milev R, Thornicroft G & the INDIGO Study Group (2012). Anticipated discrimination among people with schizophrenia. Acta Psychiatrica Scandinavica 125 (1), 77-83.
Trefwoord: Stigma
Volledig functioneel herstel (VFH) 7,5 jaar na een eerste psychose hangt meer samen met psychosociaal herstel na 14 maanden dan met remissie van symptomen
Full Functional Recovery (FFR), of Volledig Functioneel Herstel (VHF), betekent bij mensen met een psychose of schizofrenie minimaal een terugkeer naar of verbetering van het sociale en beroepsmatige functioneren van vóór het optreden van de psychose(n). In deze Australische longitudinale studie werd bij een groep van 209 personen die een eerste psychose hadden doorgemaakt gekeken of er een verband is tussen VHF na 7,5 jaar en remissie van positieve en negatieve symptomen na 8 en 14 maanden. De uitkomsten zijn gemeten met de Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS), de Quality of Life Scale (QLS), de Schedule for the Assessment of Negative Symptoms (SANS) en de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS). De samenhang blijkt tamelijk ingewikkeld: remissie van zowel positieve als negatieve symptomen heeft een voorspellende waarde voor functioneel en beroepsmatig herstel na 14 maanden. Echter: alleen degenen die na 14 maanden een grote mate van psychosociaal herstel laten zien blijken VHF na 7,5 jaar te bereiken, ongeacht de mate van remissie van symptomen na 8 of 14 maanden (OR= 6,70). Alleen als initiële symptomatische remissie wordt vertaald in functionele verbetering komt VHF in het vizier. Snel functioneel en sociaal herstel ná de eerste psychose lijkt te beschermen tegen de ontwikkeling van chronisch negatieve symptomen. Volgens de auteurs moeten er in het behandeltraject naast de farmacotherapeutische middelen ook zo snel mogelijk interventies worden aangeboden die gericht zijn op psychosociaal herstel.
Álvarez-Jiménez M, Gleeson JF, Henry LP,. Harrigan SM, Harris MG, Killackey E, Bendall S, Amminger GP, Yung AR, Herrman H, Jackson HJ & McGorry PD (2012). Road to full recovery: longitudinal relationship between symptomatic remission and psychosocial recovery in first-episode psychosis over 7.5 years. Psychological Medicine 42 (3), 595-606.
Trefwoord: Herstel
Deelnemers zijn tevreden over nieuw Recovery Center in New York dat als een opleidingsinstituut georganiseerd is
Amerikaanse Recovery Centra bieden een nieuw model voor het aanbieden van op herstel gerichte interventies voor personen met ernstige psychiatrische aandoeningen. In dit artikel worden een proces- en een kwalitatieve evaluatie gegeven van het in 2008 in New York opgerichte Pathways Resource Center. Het project is gericht op bewoners van begeleide woonvormen en gaat uit van de filosofie dat deze bewoners zo onafhankelijk als mogelijk zouden moeten leven. Het Center biedt op vaste tijden onderwijs in klassen aan op het gebied van omgaan met computers, bijscholing tot eindexamenniveau middelbare school, ondersteuning bij zoeken naar werk, leren communiceren, leren koken alsmede klinische herstel groepen: harm reductie klassen, angst management groep en een herstelgroep. Iedereen die op tijd komt krijgt óf vrij openbaar vervoer op het traject van huis naar Center óf gratis lunch. De data voor de evaluaties werden o.a. verzameld via focus groepen van deelnemers. De deelnemers voelen zich erg thuis op het Pathways Resource Center en zien de aanboden activiteiten als een belangrijke stap op weg naar verder herstel. De auteurs vermoeden dat de Recovery Centers op korte termijn een best pratice zullen worden.
Whitley R & Siantz E (2012). Recovery Centers for People With a Mental Illness: an Emerging Best Practice? Psychiatric Services 63 (1), 10-12.
Trefwoord: Herstel
Het MARS-meetinstrument heeft goede psychometrische kwaliteiten en geeft zicht op de verschillende dimensies van het herstelproces
Het Amerikaanse SAMSHA omschrijft recovery (herstel) als een reis van heling en transformatie waardoor personen met een psychische aandoening een betekenisvol leven in de gemeenschap kunnen leven en hun menselijk potentieel kunnen ontplooien. Volgens de auteurs is er nog geen psychometrisch betrouwbaar instrument om de effectiviteit van interventies op het herstelproces te meten. Hiervoor is de Maryland Assessment of Recovery in People with Serious Mental Illness (MARS) ontwikkeld, een door de cliënten zelf in te vullen vragenlijst van 25 items (oorspronkelijk waren er 67 items). In dit artikel wordt verslag gedaan van een aantal psychometrische testen (zoals interne consistentie, test-hertest betrouwbaarheid en inhoudsvaliditeit) van de MARS waarbij 166 cliënten (in twee groepen) de lijst hebben ingevuld. De items van de MARS zijn tot stand gekomen met behulp van o.a. panels van experts (waaronder cliënten). De MARS heeft een goede interne consistentie (Cronbach's α = .95), test-hertest betrouwbaarheid (r= .898) en construct validiteit. De zes domeinen van herstel worden door de MARS gedekt: zelf sturing geven (empowerment), holistisch gericht, niet-lineair proces, nadruk op wat men nog wel kan, verantwoordelijkheid nemen en hoop koesteren.
Drapalski L, Medoff D, Unick GJ, Velligan DI,. Dixon LB & Bellack AS (2012).Assessing Recovery of People With Serious Mental Illness: Development of a New Scale. Psychiatric Services 63 (1), 48-53.
Trefwoord: Herstel
De Nederlandse cliëntgestuurde cursus 'Herstellen doe je zelf' heeft een significant positief effect op gevoelens van empowerment, hoop en self-efficacy
Al in 1996 werd de cursus "Herstellen doe je zelf" ontwikkeld door Nederlandse GGZ-cliënten en hulpverleners. De cursus bestaat uit 12 wekelijkse sessies van 2 uur waar door ervaringsdeskundigen met een ernstige psychiatrische aandoening–die een speciale training hebben gevolgd- op een gestructureerde wijze o.a. de volgende thema's worden besproken: betekenis van herstel (recovery); persoonlijke ervaring van herstelproces; persoonlijke wensen voor de toekomst; leren keuzen maken en doelen stellen; rollen in het dagelijkse leven; persoonlijke waarden; hoe sterker te worden en sociale steun te verkrijgen. In deze Nederlandse RCT werden op baseline, na 3 én na 6 maanden van de interventiegroep (N=168) en de controle groep (N=165) de scores op de volgende schalen met elkaar vergeleken: de Herth Hope Index, de MANSA, de Mental Health Confidence Scale, de Dutch Empowerment Scale en de Loneliness Scale. Alle respondenten hadden een ernstige psychiatrische aandoening. Het blijkt dat deze cliëntgestuurde cursus een significant positief effect heeft op gevoelens van empowerment, hoop en self-efficacy maar niet op kwaliteit van leven of gevoelens van eenzaamheid. Deze positieve effecten zijn voor een deel te verklaren doordat de deelnemers in aanraking komen met rolmodellen waarmee ze zich kunnen identificeren en omdat er aandacht is voor psycho-educatie en omgaan met de stoornis.
Van Gestel-Timmermans H, Brouwers EPM, Van Assen MALM & Van Nieuwenhuizen Ch (2012). Effects of a Peer-Run Course on Recovery From Serious Mental Illness: A Randomized Controlled Trial . Psychiatric Services 63 (1), 54-60.
Trefwoord: Herstel
In New Yorkse cliëntgestuurde instelling is cultuur ontwikkeld waarin iedereen zich voor elkaar verantwoordelijk voelt
Al vanaf 1988 functioneert er in New York een volledig door cliënten gedreven GGZ-instelling (Open Arms) die naast klinische behandelingen en psycho-educatie vooral herstelbevorderende ondersteuning op het gebied van onderwijs, huisvesting en belangenbehartiging biedt. Het is meer georganiseerd als een onderwijsinstelling dan als een kliniek. In deze ethnografische studie doen de auteurs verslag van hun bevindingen. Ze gingen er met de volgende vragen naar toe: 1. Wat is het specifieke van een cliëntgestuurde instelling en hoe worden er capaciteiten versterkt die sociale integratie bevorderen; 2. Hoe kunnen de in de instelling ontwikkelde capaciteiten bijdragen aan herstel. Behalve via participerende observaties gedurende 10 maanden, werden de data verzameld via interviews (N=25), focus groepen (N=22) en door voorspelen van dramatische scenes (N=17). Met behulp van de grounded-theory werden de data geanalyseerd.Het belangrijkste kenmerk van de cultuur binnen de instelling is dat iedereen zich voor elkaar verantwoordelijk voelt, men beschouwt Open Arms als een familie. Men spreekt elkaar aan op b.v. ongewenst gedrag. De deelnemers en ‘hulpverleners’ hebben een authentiek relatie met elkaar. Men wordt gestimuleerd om de eigen capaciteiten en talenten aan te spreken en te ontwikkelen. Hiermee worden de cliënten goed voorbereid om weer deel te gaan nemen aan de ‘samenleving’.
Lewis SE, Hopper K & Healion E (2012). Partners in Recovery: Social Support and Accountability in a Consumer-Run Mental Health Center. Psychiatric Services 63 (1), 61-65.
Trefwoord: Herstel
Maatschappelijk participeren heeft een positief effect op het herstelproces
In deze Amerikaanse studie wordt in de eerste plaats het verband onderzocht tussen maatschappelijke participatie van psychiatrische cliënten en hun scores op de Recovery Assesment Scale (RAS), de Quality of Life Interview (QOL) en de Meaning of Life Framework (MOL) en op de tweede plaats of er verschil is in maatschappelijke participatie en recovery binnen de onderzochte groep tussen emerging adults (18-30 jaar)(N=233) en mature adults (> 30 jaar) (N=1594). Emerging adults (18 tot 25/30 jaar) worden steeds meer als een aparte groep in de ontwikkelingspsychologie beschouwd: nog met identiteitsontwikkeling bezig, ego-centrisch gericht en ze voelen zich nog niet helemaal volwassen. Emerging adults met psychiatrische problemen staan voor aparte uitdagingen in het leven. De data komen van het door de SAMSHA ondersteunde Consumer-Operated Service Program. Tien participatie gebieden werden bij de deelnemers in kaart gebracht: ouderschap, betaald werk, vrijwilligerswerk, studie, lidmaatschap verenigingen, actief burgerschap, ondersteuning van leeftijdsgenoten, vriendschappen, intieme relaties, religieuze activiteiten. Het blijkt dat er een duidelijk verband is tussen de mate van participatie en hogere scores op de RAS (recovery), QOL en MOL. De emerging adults participeren over het algemeen meer dan de mature adults, maar gedeeltelijk wel op andere gebieden. De emerging adults hebben significant hogere RAS (recovery) scores en significant lagere MOL-scores dan de mature adults. De jongvolwassenen hebben nog meer hoop en meer verwachtingen van het leven dan de ouderen, en dat past goed bij hun ontwikkelingsfase.
Kaplan K, Salzer MS & Brusilovskiy E (2012). Community Participation as a Predictor of Recovery-Oriented Outcomes Among Emerging and Mature Adults with Mental Illnesses. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (3), 219-229
Trefwoord: Herstel.
Amerikaanse jongvolwassenen met psychiatrische problemen willen graag een eigen website met informatie die sociale integratie kan bevorderen
In deze Amerikaanse studie wordt verslag gedaan van een survey onder jongvolwassenen (18 - 24 jaar) met (N=140) en zonder (N=79) een psychiatrische stoornis naar hun gebruik van sociale netwerk sites. Tevens werd bij degenen met een psychiatrische stoornis geïnventariseerd wat hun wensen zijn voor een speciaal voor hun ontworpen website .Bij beide groepen respondenten maakt 94% gebruik van sociale netwerksites. Het meest plezierige van die sites vinden beide groepen 'het communiceren met anderen'. Voor de groep met een psychiatrische stoornis geldt meer dan voor de andere groep dat ze via de sites 'vrienden maken' (40%) en 'belangstelling delen'(38%). De groep zonder problemen plant veel vaker sociale activiteiten via de site dan de anderen. De belangrijkste topics die een 'ideale' website voor jongvolwassenen met psychische stoornis moet bevatten zijn: 1. Informatie over hoe je onafhankelijk kunt leven; 2. Informatie over strategieën om sociaal isolement te overwinnen; 3. Informatie over relaties. De resultaten van dit onderzoek zijn gebruikt om de site StrengthofUs.org (http://strengthofus.org/ )van de National Alliance on Mental Illness (NAMI) mee op te zetten.
Gowen K, Deschaine M, Gruttadara D & Markey D (2012). Young Adults with Mental Health Conditions and Social Networking Websites: Seeking Tools to Build Community. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (3), 245-250.
Trefwoord: Herstel
Cognitieve therapie doet algemene functioneren significant toenemen bij personen met schizofrenie die op een laag niveau functioneren
In de VS hebben 2 à 3 miljoen personen schizofrenie. Per jaar zijn de directe en indirecte kosten ongeveer 63 miljard dollar. Ondanks farmacotherapeutische behandelingen blijft tussen de 35% en 50% van deze mensen last houden van rest-symptomen en bijwerkingen zoals spraakstoornissen en negatieve symptomen (alogia, avolitie, apathie, anhedonie). In deze Amerikaanse RCT werd bekeken wat de effecten zijn op het psychosociale functioneren en de negatieve symptomen van een op herstel gericht cognitieve therapie (CT). De interventiegroep (N=31) –vs. controlegroep (N=29)- kreeg 18 maanden lang eenmaal per week een persoonlijke cognitieve therapie van ongeveer 50 minuten waarin aan persoonlijke doelen en dysfunctionele gedachten, en met cognitieve en gedragsmatige technieken werd gewerkt. De primaire uitkomstmaat waren scores op de Global Assessment Scale (GAS). De secundaire uitkomstmaten waren scores op vier subschalen van de Scale for the Assessment of Negative Symptoms (SANS) en de Scale for the Assessment of Positive symptoms (SAPS). In de CT-groep was het klinisch effect op de GAS significant groter dan bij de controlegroep (binnen de CT groep was de verbetering een Cohen's d van 1.36; binnen de controlegroep slechts een Cohen's d van 0.06). De CT-groep had ook een significant grotere verbetering op de avolitie-schaal van de SANS én een significant grotere afname van positieve symptomen op de SAPS dan de controlegroep.
Grant PM, Huh GA, Perivoliotis D, Stolar NM & Beck AT (2012). Randomized Trial to Evaluate the Efficacy of Cognitive Therapy for Low-Functioning Patients With Schizophrenia. Archives of General Psychiatry 69 (2), 121-127.
Trefwoord: Schizofrenie
Cognitieve Adaptatie Training (CAT) lijkt in het kader van ACT weinig meerwaarde te hebben
De Cognitieve Adaptatie Training (CAT) poogt cognitieve gebreken bij personen met schizofrenie in het dagelijkse leven aan te pakken door eerst per persoon te testen of er neurocognitieve problemen met het uitvoeren van eenvoudige taken zijn b.v. als gevolg apathie of disinhibitie. Over een periode van zes maanden krijgt elke persoon elke 14 dagen enkele uren op de persoon afgestemde begeleiding. In deze Deense RCT werd gekeken of bij mensen die naast de CAT óók ACT kregen aangeboden (N=24) na zes maanden volgens de Global Assessment of Function (GAF) en de HoNOS sociaal beter functioneerden dan de controlegroep (N=21) die alleen ACT kreeg. Als secundaire uitkomstmaten werden ook de Camberwell Assessment of Need (CANSAS), de PANNS en de Lehman Quality of Life Interview (L-QoLI) afgenomen en het aantal opnamedagen opgevraagd. Bij het begin, na 6 en 9 maanden werden de effecten gemeten. Het bleek dat er tussen beide groepen geen significante verschillen noch op de primaire uitkomstmaten (GAF en HoNOS), noch op de secundaire uitkomstmaten te vinden waren. De auteurs denken dat het feit dat er maar zeer weinig potentiële deelnemers aan dit onderzoek wilden meewerken van invloed is geweest op de resultaten.
Hansen JP, Østergaard B, Nordentoft M & Hounsgaard L (2012). Cognitive adaptation training combined with assertive community treatment: A randomised longitudinal trial. Schizophrenia Research 135 (1–3), 105–111.
Trefwoord: Schizofrenie
De organisatie van het Wraparound Care proces heeft meer invloed op betrokkenheid jongeren bij de planning dan hun leeftijd(sfase)
De Wraparound Care methode is een vorm van case management die is ontwikkeld in Noord-Amerika om multiproblem gezinnen met jongeren met opvoedings- en/of psychische problemen bij te staan. Het perspectief van het gezin is leidend. Kern is dat alle gezinsleden zich zeer openhartig naar elkaar uitspreken. (Deze methode wordt ook steeds meer in Nederland gebruikt). In dit Amerikaanse artikel wordt met behulp van twee datasets waarbij gebruik is gemaakt van de Wraparound methode bekeken in hoeverre de adolescenten vinden dat met hun wensen en zienswijze in de planning van de hulpverlening voldoende rekening wordt gehouden. Ook werd gekeken of er verschil is tussen de mate van tevredenheid in de verschillende fasen van de adolescentie. In totaal werden 389 paren van ouders en kinderen ondervraagd. Daarnaast werden data uit de Achieve My Plan! interventie (AMP) gebruikt. AMP is een persoonlijk coachings programma om jongeren op team bijeenkomsten voor te bereiden. Het blijkt dat er geen samenhang is tussen de leeftijd van de adolescent en de mate van deelname aan (of betrokken voelen bij) het wraparound proces. Als men zich goed aan de wraparound methode houdt en de jongeren een AMP aanbiedt is de kans klein dat de jongeren zullen afhaken.
Walker JS,. Pullmann MD,. Moser LS & Burns EJ (2012). Does Team-Based Planning "Work" for Adolescents? Findings from Studies of Wraparound. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (3), 189-198.
Trefwoord: Jongeren
In de UK zijn de sociale netwerken van voormalig intramurale psychiatrische patiënten redelijk uitgebreid, zeker bij de 65-plussers
Volgens MIND voelt 84% van de personen met een psychiatrische stoornis zich sociaal geïsoleerd tegenover 29% in de algemene bevolking. In deze Britse studie werden 85 personen die minimaal 12 jaar daarvoor uit een psychiatrisch ziekenhuis ontslagen waren met behulp van de Social Network Guide ondervraagd over hun sociale leven. Het gaat om personen met ernstige psychiatrische aandoeningen die na de deïnstitutionalisering zijn gaan wonen in een van de volgende woonvormen: ziekenhuis, andere intramurale instelling of verpleeghuis, kleine groepswoning met intensieve begeleiding, begeleid wonen met weinig begeleiding. Het gemiddelde sociale netwerk van de respondenten blijkt klein (23 ) in vergelijking met het gemiddelde netwerk van 'gewone' mensen (124), maar toch groter dan de uitkomsten uit eerder studies in vergelijkbare populaties. Eén derde van de netwerkleden zijn andere personen met een psychiatrische stoornis, ook één derde betreft hulpverleners in de brede zin. Slechts één derde van de sociale contacten heeft dus geen relatie met de GGz. De respondenten van boven de 65 jaar hebben over het algemeen meer intieme en regelmatige contacten en geven aan meer persoonlijk zorg, huishoudelijke ondersteuning en steun bij het nemen van besluiten te krijgen dan de 65-minners.
Forrester-Jones R, Carpenter J, Coolen-Schrijner P, Cambridge P, Tate A, Hallam A, Beecham J, Knapp M & Wooff D (2012). Good friends are hard to find? The social networks of people with mental illness 12 years after deinstitutionalization. Journal of Mental Health 21 (1), 4-14.
Trefwoord: Wonen
Hulpverleners en cliënten zijn het er beide over eens dat het succes van ACT op de eerste plaats door het ACT-team wordt bepaald
In deze Amerikaanse studie is zowel bij ACT-teamleden (N=25) als bij cliënten/consumenten (N=23) uitgevraagd welke processen volgens hen ten grondslag liggen aan zowel succesvolle ACT-interventies als aan mislukte ACT trajecten. Opmerkelijk is dat beide groepen een duidelijk onderscheid maken tussen processen die tot succes leiden en processen die mislukking kunnen verklaren. Beide groepen vinden dat het belangrijkste proces dat tot het succes van een ACT-interventie leidt het ACT-team is (gaat b.v. om ondersteuning en consistent contact). Verschil van mening bestaat er over de ranking van het onderhouden van sociale contacten: voor de cliënten staat dit op de tweede plaats van succesfactoren en bij de hulpverleners pas op de 7de plaats. Volgens de respondenten vormen de processen die tot een mislukking leiden niet het omgekeerde van de processen die tot succes leiden. Het mislukken wordt meer bij cliënt-specifieke factoren (zoals mate van zelf-waardering; riskant gedrag) gelegd dan bij de interventies door het ACT-team. Middelengebruik wordt wel als een belangrijke faalfactor gezien, terwijl het niet gebruiken van drugs en/of drank niet als een belangrijke succesfactor wordt gezien.
Stull LG, Mcgrew JH & Salyers MP (2012). Processes underlying treatment success and failure in assertive community treatment. Journal of Mental Health l. 21 (1), 49-56.
Trefwoord: ACT en FACT
Laatst aangepast (dinsdag 01 mei 2012 14:08)


