Signaleringen juli-september 2011
Deelnemers aan Assertive Community Treatment (ACT) ervaren geen dwang en negatieve druk van hulpverleners
Sommigen beweren dat de uitgangspunten en de praktijk van ACT zo dwingend zijn dat die het herstel en een toename van empowerment in de weg staan. In deze Amerikaanse studie werd aan groep cliënten (n=65) met schizofrenie of een schizo-affectieve stoornis die gemiddeld 17 jaar aan een ACT-programma deelnamen met behulp van vragenlijsten onderzocht in hoeverre zij dwang van de ACT-staf ervaren. Gebruikt werden een speciaal voor deze studie ontworpen vragenlijst, de Perceptions of Mental Health Services Questionnaire (PMHSQ), en de Empowerment Scale (ES), de Quality of Life Questionnaire (QLQ) en de Working Alliance Inventory-Short Form (WAI-S). Uit de scores komt duidelijk naar voren dat de deelnemers weinig dwang ervaren en de ACT-hulpverleners niet als restrictief, maar eerder als stimulerend ervaren. Er zijn wel verbanden tussen een hogere ervaren dwang en een minder hoog ervaren levenskwaliteit en lagere gevoelens van empowerment.
Tschopp MK, Berven NL & Chan F (2011). Consumer Perceptions of Assertive Community Treatment Interventions. Community Mental Health Journal 47 (4), 408-414
Trefwoord: ACT en FACT
Inzet ervaringsdeskundigen in reguliere GGZ behandeling stimuleert recovery van patiënten
Dit is een Brits reviewartikel naar de effecten van de inzet van ervaringsdeskundingen (Peer Support Workers–PSW) in de reguliere GGZ. Naast 7 RCT's, worden de gegevens van 15 kwantitatieve, 14 kwalitatieve en 6 reviewartikelen bij de analyse betrokken. Bij peer support wordt ervan uitgegaan dat personen met eenzelfde achtergrond op een meer authentieke manier met GGZ-patiënten kunnen omgaan. In de literatuur worden de volgende voordelen van het inzetten van PSW voor de patiënten genoemd: 1. de patiënten worden minder vaak opgenomen; 2. de patiënten krijgen meer eigenwaarde (empowerment); 3. door de relatie met de PSW ervaren de patiënten meer sociale steun en gaan ze sociaal beter functioneren; 4.de patiënten ervaren meer empathie in de meer gelijkwaardige relatie die ze met de PSW opbouwen; 5. hierdoor ervaren de patiënten dat je kunt herstellen, wat meer hoop en minder stigma oplevert. Voor de PSW resulteert het geven van ondersteuning in een professionele omgeving in meer eigenwaarde en herstel. Enkele valkuilen zijn: de relatie kan té vriendschappelijk worden; er kan weerstand tegen de positie van de PSW bij de reguliere professionals opkomen; door de werkdruk kan de PSW soms weer terugvallen. De PSW lijkt een eigen positie binnen de GGz te gaan krijgen.
Repper J & Carter T (2011). A review of the literature on peer support in mental health services. Journal of Mental Health 20 (4), 392–411.
Trefwoord: Herstel
Cliënten die worden begeleid door Case Managers met positievere verwachtingen werken vaker en langer
De houding van belangrijke anderen kan invloed hebben op het gedrag van personen. In ambulante settings behoren case managers vaak tot het primaire steunsysteem van personen met een ernstige psychiatrische aandoening. In deze Amerikaanse studie (32 case managers en 97 cliënten met schizofrenie) wordt verondersteld dat de karaktereigenschappen van case managers een deel van de verschillen in uitkomsten bij hun cliënten kunnen verklaren. Met behulp van de speciaal ontwikkelde Case Manager Expectancy Invertory (CMEI) werden case managers met hoge en lage verwachtingen ten opzichte van de mogelijkheden van hun cliënten onderscheiden. Verder werd bij de case managers afgenomen: de Opinion About Mental Illness Scale (OMI), de Maslach Burnout Inventory (MBI), de Life Orientation Test en de Rosenberg Self-Esteem Scale (RSE). Het bleek dat de cliënten van case managers die hoge verwachtingen hadden en optimistisch gestemd waren significant meer dagen (regulier) betaald werk deden dan de cliënten van case managers met lage verwachtingen. Paradoxaal was de uitkomst dat de cliënten van case managers met specifiek hoge verwachtingen over waardevolle sociale rollen die ze denken dat hun cliënten kunnen innemen (zoals het vermogen om een carrière op te bouwen) minder dagen werkten dan de anderen. Er bleek geen verband tussen verwachtingen van case managers en de woonsituatie van de cliënten.
O’Connell MJ & Stein CH (2011). The Relationship Between Case Manager Expectations and Outcomes of Persons Diagnosed with Schizophrenia. Community Mental Health Journal 47 (4), 424-435
Trefwoord: Herstel
Intensive Psychiatric Rehabilitation (IRP) interventie leidt tot betere huisvesting en meer regulier betaald werk én meer gebruik van zorg
In deze Amerikaanse studie werden de effecten van een IRP-interventie die geënt is op de Choose-Get-Keep methode en tot doel heeft het functioneren van personen met een ernstige psychiatrische aandoening te verbeteren onderzocht. Essentieel bij deze interventie is de speciaal geschoolde IRP-begeleider. De rehabilitatie uitkomsten werden gemeten met de International Association of PsychSocial Rehabilitation Services Toolkit(IAPSRS). Het zorggebruik en de zorgkosten van de interventiegroep werden vergeleken met die van een controlegroep. Binnen de interventiegroep (N=511) werd een vergelijking gemaakt tussen degenen die de hele interventie hebben afgemaakt (d.i. minimaal één jaar; N=247), de completers, vroege drop-outs (N=171) en late drop-outs (N=93). De completers en de late drop-outs blijken significant vaker in een minder restrictieve woonomgeving te verblijven. Die situatie was bij de vroege drop-outs onveranderd. De completers blijken ook meer te werken, weliswaar niet significant meer, maar ze verdienen na dat jaar wel significant meer per maand, dit in tegenstelling tot de ander twee groepen. IRP lijkt een positief effect op het behalen van rehabilitatie doelen te hebben. Daar staat tegenover dat de completers in vergelijking met een controlegroep significant meer gebruik waren gaan maken van ambulante GGZ-hulpverlening en dat de zorgkosten dus waren toegenomen. Dit hadden de onderzoekers niet verwacht.
Ellison ML, Rogers ES, Lyass A, Massaro J, Wewiorski NJ, Hsu ST & Anthony WA (2011). Statewide Initiative of Intensive Psychiatric Rehabilitation: Outcomes and Relationship to Other Mental Health Service Use. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (1), 9-19.
Trefwoord: Herstel
Hiërarchisch georganiseerd Consumer Run programma minder effectief op herstel doelen dan reguliere Community Mental Health Service
In de VS zijn er twee manieren om consumer run hulpprogramma’s te organiseren: 1. Participerend democratisch model, waarbij de (ex)cliënten op alle nivau’s inspraak hebben; 2. Hiërarchisch georganiseerd model met als directie een ex-cliënt en een staf van minimaal de helft ex-cliënten (COPS). In deze Amerikaanse RCT werd bekeken of een gecombineerd aanbod van behandeling in een Community Mental Health Agency (CMHA) met doorverwijzing naar een COPS inloopcentrum (COSP-CMHA) (N=86) effectiever is op vier recovery uitkomstmaten dan alleen behandeling door het CMHA (N=53). De volgende lijsten werden op base line en na 8 maanden afgenomen: Personal Empowerment Scale, deSelf-Efficacy Scale, de Independent Social Integration Scale (ISIS), de Brief Psychiatric Rating Scale Scale (BPRS) en de Hopelessness Scale. Tegen de verwachting in bleken de cliënten van de CMHA-alleen behandeling significant beter te scoren op sociale integratie, persoonlijke empowerment, en self-efficacy. De positieve verandering van deze groep was ongeveer drie keer groter ten opzichte van de COSP-CMHA-groep. Qua symptomen of gemeten hoop was er bij beide groepen weinig verandering.
Segal SP, Silverman CJ & Temkin TL (2011). Outcomes From Consumer-Operated and Community Mental Health Services: A Randomized Controlled Trial. Psychiatric Services 62 (8), 915-921.
Trefwoord: Herstel
Uitgangspunten van IPS botsen gedeeltelijk met de procedures van de Zweedse verzorgingsstaat voor werkloze psychiatrische patiënten
In deze Zweedse studie werden 60 personen van de interventie-arm van een RCT naar de effectiviteit van de van oorsprong Amerikaanse Individual Placement and Support (IPS) interventie nauwgezet gevolgd in hun interactie met de Zweedse Social Insurance Agency (SIA) en de Public Employment Service (PES), die verantwoordelijk zijn voor de arbeidsrehabilitatie van langdurige werklozen (en dus ook voor de psychiatrische patiënten onder hen). De Zweedse overheid hanteert het principe 'eerst trainen dan plaatsen' terwijl het centrale uitgangspunt van IPS 'eerst plaatsen (op een werkplek) dan gaan trainen' is. De volgende uitgangspunten van IPS staan opgespannen voet met de manier waarop de SIA en de PES werkloze psychiatrische patiënten begeleid: regulier betaald werk is de belangrijkste focus en de wens van de cliënt om zo snel mogelijk werk te krijgen staat centraal. Vooral in de wijze waarop de werkcapaciteit van de cliënt wordt ingeschat lopen de visies van de SIA/PES-begeleiders en de IPS-arbeidsbegeleiders sterk uiteen. Het soort uitkering dat een cliënt heeft kan grote invloed hebben op het al dan niet slagen van het IPS-traject in Zweden. Het gaat bij het invoeren van IPS niet alleen om het modelgetrouw invoeren, maar ook om instructies om rekening te houden met de specifieke maatschappelijke context.
Bejerholm U, Larsson L & Hofgren C (2011). Individual placement and support illustrated in the Swedish welfare system: A case study. Journal of Vocational Rehabilitation 35 (1), 59-72.
Trefwoord: IPS en SE
Nog te weinig robuust bewijs dat IPS ook in Verenigd Koninkrijk (VK) effectief is
Meer dan 40% van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het VK zijn gerelateerd aan psychische problemen. Het (weer) aan het werk krijgen van deze doelgroep heeft hoge politieke urgentie. Het doel van deze systematische review was het verzamelen en beoordelen van alle Britse evidentie naar de effecten van de oorspronkelijk Amerikaanse Individual Placement and Support (IPS) interventie. Er werden maar 5 studies gevonden die aan de inclusiecriteria voldeden. Bij de beoordeling werd de door NICE ontwikkelde critical appraissal gebruikt. De evidentie die in de twee kwalitatief beste studies werd gevonden wijst duidelijk in de richting dat IPS in het VK effectiever is in het aan regulier betaald werken helpen van personen met psychische problemen dan andere methoden van arbeidsrehabilitatie: Burns et al (2007) is een Europese multi-centre studie waarbij 48% (n=12) van de Londense IPS-deelnemers aan regulier betaald werk kwam tegenover 16% (n=4) van de controlegroep. Howard et al (2010) vonden na 1 jaar geen significante verschillen tussen de IPS-groep (14% aan het werk) en de controlegroep (8%). Als de community mental health teams IPS in hun aanpak integreren kan het veel effectiever worden. Er lopen nog drie effectstudies naar IPS in het VK.
Heffernan &, Pilkington P (2011). Supported employment for persons with mental illness: Systematic review of the effectiveness of individual placement and support in the UK. Journal of Mental Health 20 (4), 368–380.
Trefwoord: IPS en SE
Het IPS-model bestaat 20 jaar maar kan op vele onderdelen nog worden verbeterd
Dit artikel is de inleiding van een speciaal nummer over 20 jaar Individual Placement and Support (IPS)-model: het meest succesvolle (Amerikaanse) arbeidsrehabilitatie-model voor personen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Het wordt hier apart beschreven omdat er naast een korte bespreking van de artikelen van het speciale nummer ook een aantal thema's wordt genoemd waarop meer onderzoek gewenst is. Aan de orde komt o.a.: 1. De wensen van de individuele cliënt moeten centraal staan: er is meer onderzoek nodig naar perspectieven vanuit cliënten. 2. De optimale rol van de familie in het herstelproces moet nog duidelijker worden. 3. IPS-begeleiders en arbeidsrehabilitatie counselors moeten beter leren samenwerken. 4. Er is meer onderzoek nodig naar de motieven van werkgevers om al dan niet werknemers met een psychische stoornis aan te nemen. 5. De wijze waarop de klinische hulpverlening is georganiseerd moet geïntegreerd worden met rehabilitatie. 6. Sociale stelsels staan nog vaak in de weg om personen via IPS aan het werk te krijgen. 7. Er moet meer zicht komen waarom minimaal een derde van de IPS-deelnemers toch niet aan regulier betaald werk komt.
Drake RE &. Bond GR (2011). IPS Support Employment: A 20-Year Update. American Journal of Psychiatric Rehabilitation.14 (3), 155-164
Trefwoord: IPS en SE
Speciaal nummer over 20 jaar IPS met aandacht voor de stakeholders en barrières voor succes
Themanummer met zes artikelen en een inleiding. Een van de artikelen wordt apart beschreven (Jones ). Swanson et al gaan in op de barrières die stakeholders –zoals beleidsmakers in de GGz- ondervinden bij het implementeren van IPS, afhankelijk van de locale omstandigheden. Strategieën om deze barrières te nemen worden besproken. Drebing et al onderzochten hoe het proces verloopt van erkennen van werkbehoefte naar instromen in arbeidsrehabilitatietrajecten, gebaseerd op naturalistische data. Glover et al bekijken welke specifieke competenties succesvolle arbeidsbegeleiders binnen IPS-programma's hebben. Er komen zes kerncompetenties boven drijven: time management, betrokkenheid bij doelgroep, ze bouwen goede samenwerking op met de cliënten, ze werken als deel van een team, ze hebben persoonlijk contact met werkgevers en ze kunnen goed netwerken. Becker et al formuleren een benchmark voor de resultaten van IPS-programma's: minimaal moet 33% van de deelnemers aan regulier betaald werk komen, een zeer goed resultaat wordt bij 57% toegekend. Haslett et al testen de hypothese dat er op het platteland minder regulier betaald werk voor IPS-deelnemers is te vinden dan in de stad.
Swanson S et al; Drebing CE et al; Glover CM et al; Becker DR et al; Haslett WR et al. Special Issue: IPS Supported Employment. American Journal of Psychiatric Rehabilitation.14 (3), 165-244.
Trefwoord: IPS en SE
Zelfrapportage-meetinstrumenten meten volgens de cliënten beter hun toestand dan andere meetinstrumenten
Om de effectiviteit van behandelingen te meten is het van belang dat er meetinstrumenten worden gebruikt die door GGZ-gebruikers gewaardeerd worden. In deze Britse studie kreeg een expert groep (n=25) van personen die òf een psychose òf een stemmingsstoornis hebben meegemaakt 24 veel gebruikte vragenlijsten (meetinstrumenten) ter beoordeling voorgelegd. Er kunnen vier methoden worden onderscheiden waarmee de data met de meetinstrumenten worden verzameld: zelfrapportage (b.v. Beck Depression Inventory); klinisch oordeel (b.v. Positive and Negative Symptoms Scale –PANSS); klinisch interview (b.v. Health of the Nation Outcome Scale –HoNOS); interview (b.v. World Health Organisation – Quality of Life (WHO-QoL). De meetinstrumenten werden op een schaal van 1 tot 10 beoordeeld. Daarnaast werden kwalitatieve data verzameld bij de expert groep. Over het algemeen vinden de leden van de expert groep dat de zelfrapportage-meetinstrumenten relevanter zijn en beter hun ervaring weergeven dan de lijsten die door derden worden ingevuld. Uitzondering hierop zijn de PANNS en de WHO-QoL die een 7.5 krijgen. De instrumenten die bijwerkingen van medicatie meten worden allen hoog gewaardeerd. Instrumenten die het sociale functioneren in kaart willen brengen worden als te normatief zwaar onvoldoende gewaardeerd. Veel gebruikte maten zoals de Global Assessment of Functioning en de European Quality of Life Scale krijgen ook een dikke onvoldoende.
Crawford MJ, Robotham D, Thana L, Patterson S, Weaver T, Barber R, Wykes T & Rose D (2011). Selecting outcome measures in mental health: the views of service users. Journal of Mental Health 20 (4), 336–346.
Trefwoord: Schizofrenie
Gebruikers van Britse Vroegtijdige Interventie Psychose (VIP) zijn tevreden over hulpverlening en over ondersteuning door ouders
Zo'n 20 jaar geleden werden in een aantal Westerse landen (o.a. VK en USA; in Amsterdam vanaf 2006) speciale teams gestart om snel te kunnen optreden bij een eerste psychose. In Engeland worden deze Early Intervention Services (EIS) genoemd. Belangrijkste redenen voor het instellen deze speciale diensten: 1. Hoe later met de behandeling van een psychose wordt begonnen hoe slechter de prognose; 2. Snelle behandeling leidt tot minder terugval en heropnames. In deze exploratieve, kwalitatieve Engelse studie werden 36 personen van 14 tot 35 jaar die gebruik maakten van EIS tweemaal binnen een jaar geïnterviewd over hun ervaringen met deze dienst. De volgende thema's stonden centraal: 1.De relatie met de verantwoordelijke hulpverlener; 2. De rol van de ouders ; 3. De verandering van het zelfbeeld. De meeste geïnterviewde EIS-zorggebruikers zijn positief over hun hulpverleners; men vindt hen te vertrouwen en ondersteunend. Een deel vond het zorgaanbod van drie jaar te intensief. De EIS-zorggebruikers vinden ondersteuning door familieleden essentieel en zeer waardevol. Een groot deel van de geïnterviewden geven aan dat ze door de ziekte en de behandeling (o.a. medicatie) een negatief zelfbeeld hebben gekregen en een sterk gevoel van verlies van hun oude zelf ervaren.
Lester H, Marshall H, Jones P, Fowler D, Amos T, Khan N & Birchwood M (2011). Views of Young People in Early Intervention Services for First-Episode Psychosis in England. Psychiatric Services 62 (8), 882-887.
Trefwoord: Schizofrenie
Sommige case managers zijn in staat de negatieve effecten van zelf-stigma te verminderen
Ook bij evidence-based interventies blijven er grote verschillen in de individuele behandeluitkomsten die niet verklaard kunnen worden. Twee van de factoren die van invloed kunnen zijn op de uitkomsten bij ambulante personen met ernstige psychiatrische aandoeningen zijn de mate van zelf-stigma en de persoonlijkheid en aanpak van de case manager. In deze Amerikaanse cross-sectionele studie (n=160) werd bekeken: 1. Is er een verband tussen case managers en de perceptie van de cliënten over hun kwaliteit van leven; 2. Is er een verband tussen ervaren zelf-stigma en de perceptie van hun kwaliteit van leven; 3. In hoeverre hebben case managers invloed op het verband tussen ervaren zelf-stigma en kwaliteit van leven bij de cliënten. Kwaliteit van leven werd gemeten met Lehman's Quality of Life Interview en ervaren zelf-stigma met de Devaluation and Discrimination Scale. Van elke deelnemer werd de naam van case managers opgespoord. Er werd een duidelijk verband gevonden tussen een hoge mate van zelf-stigma en een lage ervaren kwaliteit van leven. Echter: sommige case managers waren in staat om de negatieve effecten van zelf-stigma op de ervaren mate van kwaliteit van leven significant te verminderen.
Kondrat DC & Early TJ (2011). Battling in the Trenches: Case Managers’ Ability to Combat the Effects of Mental Illness Stigma on Consumers’ Perceived Quality of Life. Community Mental Health Journal 47 (4), 390-398
Trefwoord: Stigma
Ervaringsdeskundige GGZ-werknemers signaleren significant vaker discriminatie ten opzichte van GGZ-cliënten dan de clinici
Bij GGZ-hulpverleners is de behoefte om sociale afstand ten opzichte van personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) (hun eigen patiënten!) te houden minimaal even groot als bij de doorsnee bevolking. De laatste tijd zijn er veel ervaringsdeskundigen op allerlei posities binnen de GGZ binnengestroomd. In deze Amerikaanse exploratieve studie werden via een websurvey aan ervaringsdeskundige GGZ-werknemers (N=51) en reguliere GGZ-hulpverleners (N=52) gevraagd of er volgens hen binnen hun organisatie sprake is van discriminatie (stigma) ten aanzien van de cliënten. Ook werd aan beide groepen gevraagd in hoeverre de ervaringsdeskundige GGZ-werknemers worden gediscrimineerd. De theorie van Kanter (1977) over 'tokenism' en de theorie van Sue (2010) over microagressie op de werkvloer worden als kader gebruikt. De ervaringsdeskundige GGZ-werknemers bemerkten significant vaker discriminatie ten opzichte van de cliënten dan de reguliere hulpverleners. Ook ervoeren de ervaringsdeskundige GGZ-werknemers meer discriminatie jegens henzelf dan de clinici waarnamen. Omdat (bedekte) discriminatie negatief kan werken op de uitkomsten bij EPA, kan het zijn dat de GGZ-instellingen de symptomen verergeren.
Stromwall LK, Holley LC & Bashor KE (2011). Stigma in the Mental Health Workplace: Perceptions of Peer Employees and Clinicians. Community Mental Health Journal 47 (4), 472-481.
Trefwoord: Stigma
Ending Self-Stigma (ESS) interventie heeft effect op afname van geïnternaliseerd stigma
Er is veel behoefte aan interventies die zelf-stigma bij personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) verminderd. In deze Amerikaanse pilot studie (N=34) werd de speciaal ontwikkelde Ending Self-Stigma (ESS) geëvalueerd. De ESS bestaat uit een gestructureerde cursus van negen wekelijkse sessies van 90 minuten waarin de volgende werkvormen worden gebruikt: doceren, discussie, uitwisselen van persoonlijke ervaringen, oefenen van vaardigheden, aanleren van probleemoplossende technieken. Aan de orde komen o.a.: mythen van feiten leren onderscheiden, leren gebruiken van cognitieve gedragstherapeutische principes om zelf-stigmatiserend denken te veranderen en positieve aspecten van zichzelf leren versterken. Vóór en na de ESS werden de volgende lijsten afgenomen: de Internalized Stigma of Mental Illness (ISMI), de Mental Health Recovery Measure (MHRM), de Multidimensional Scale of Perceived Social Support (MSPSS) en de Boston University Empowerment Scale. De primaire uitkomstvariabelen waren de totale scores van genoemde meetinstrumenten. Na de ESS was het gemeten zelf-stigma significant afgenomen en waren de ervaren sociale steun en de gerichtheid op recovery significant toegenomen. ESS is een veelbelovende interventie.
Lucksted A, Drapalski A, Calmes C, Forbes C, DeForge B & Boyd J (2011). Ending Self-Stigma: Pilot Evaluation of a New Intervention to Reduce Internalized Stigma Among People with Mental Illnesses. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (1), 51-54.
Trefwoord: Stigma
Effectieve anti-stigma campagnes moeten vijf elementaire principes hanteren
In deze Best Practices column vat een van de meest prominente Amerikaanse anti-stigma onderzoekers de ervaringen van de afgelopen tien jaar samen. Strategic Stigma Change (SSC) moet aan de volgende vijf principes voldoen: 1. Fundamenteel is persoonlijk face-to-face contact tussen personen met psychische stoornissen en bepaalde doelgroepen uit het algemene publiek. 2. Die ontmoetingen moeten op bepaalde sleutelgroeperingen gericht zijn zoals werkgevers, huisbazen en managers uit de gezondheidszorg; het persoonlijke verhaal moet voorbeelden bevatten vatten van stigma ervaringen tijdens het proces van herstel. 3. De ontmoetingen moeten op de lokale situatie zijn aangepast. 4. De personen die hun levensverhaal komen vertellen moeten geloofwaardig zijn d.w.z. dat het publiek zich met die persoon kan identificeren. 5. De ontmoetingen moeten worden herhaald; eenmalige bijeenkomsten beklijven niet.
Patrick W. Corrigan (2011). Best Practices: Strategic Stigma Change (SSC): Five Principles for Social Marketing Campaigns to Reduce Stigma. Psychiatric Services 62 (8), 824-826.
Trefwoord: Stigma
Het zelf-stigma proces bij adolescenten die psychotrope medicatie gebruiken heeft andere indicatoren dan bij volwassenen
Stigma heeft betrekking op negatief sociaal gedrag, reacties en houdingen ten opzichte van mensen met een psychische stoornis. Zelf-stigma heeft betrekking op personen met een psychische stoornis die deze maatschappelijke vooroordelen internaliseren. Men gaat ervan uit dat personen die zichzelf stigmatiseren minder snel hulp zullen zoeken uit angst voor vooroordelen en discrimininatie. Bij volwassenen zijn de indicatoren van het zelf-stigma proces: van stereotypering, naar vooroordeel tot discriminatie. In deze kwalitatieve Amerikaanse studie (N=27) probeert men een model te ontwikkelen waarmee het zelf-stigma proces bij adolescenten (12 tot 17 jaar) die psychotrope medicatie gebruiken geconstrueerd kan worden. Het gaat om jongeren met stemmingsstoornissen en ADHD. Voor de semi-gestructeerde interviews werd de Teen Subjective Experience Medication Interview (TeenSEMI) gebruikt. Omdat zelf-stigmatiserende adolescenten voor andere ontwikkelingsvragen staan, blijken hun thema’s iets te verschillen met die van de volwassenen. De adolescenten ontwikkelen ook stereotype oordelen over zichzelf. Zij gaan zich anders dan hun leeftijdsgenoten voelen, en omdat in hun ontwikkelingsfase het erbij willen horen van groot belang is, pogen ze het feit dat ze medicatie slikken zo veel mogelijk te verbergen. Er zijn wel verschillen tusen blanken en Afro-Amerikanen.
Kranke DA, Floersch J, Kranke BO & Munson MR (2011). A Qualitative Investigation of Self-Stigma Among Adolescents Taking Psychiatric Medication. Psychiatric Services 62 (8), 893-899.
Trefwoord: Stigma
Veelbelovend nieuw Nederlands instrument om zelfmanagement strategieën bij arbeidsrehabilitatie in kaart te brengen
Uit onderzoek is gebleken dat personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) die succesvol in hun werk zijn, goed zijn in het ‘zelf managen’ van hun stoornis. Het lijkt zinvol om een instrument te ontwikkelen waarmee zelfmanagement strategieën kunnen worden opgespoord, opdat gerichte interventies kunnen worden verricht om mensen voor werk-uitval te behoeden. In deze Nederlandse studie worden de uitkomsten van de eerste betrouwbaarheids- en validiteitstesten van het Illness Self-Management assessment in Psychiatric Vocational Rehabilitation (ISM-PVR) instrument besproken (testgroep N=26). Het instrument bestaat uit drie zelf-rapportage vragenlijsten en een interview tussen de deelnemer aan het arbeidsrehabilitatietraject en zijn arbeidsbegeleider. De ISM-PVR brengt in beeld: 1. Welk specifiek doel wil de deelnemer op werkgebied bereiken; 2. Welke aan de psychische stoornis gerelateerde barrières belemmeren het behalen van dit doel; 3. Welke coping- en zelfmanagement strategieën worden ingezet om met deze barrières om te gaan. Het blijkt dat de validiteit en betrouwbaarheid van de meeste schalen matig tot hoog zijn (Cronbach alpha’s van 0.52 tot 0.87). Omdat de ISM-PVR de zelfmanagement strategieën goed identificeert, en omdat deze vaak contra-productief zijn, kan het een waardevol instrument zijn voor deelnemers aan arbeidsrehabilitatietrajecten.
Michon HWC, Van Weeghel J, Kroon H &. Schene AH (2011). Illness Self-Management Assessment in Psychiatric Vocational Rehabilitation. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (1), 21-27.
Trefwoord: Werken
Het op de werkplek bekend maken dat men aan een ernstige psychische stoornis lijdt heeft wisselende gevolgen
Gezien het heersende stigma zijn werknemers met een psychische stoornis huiverig om bekend te maken dat ze zo'n stoornis hebben. Om in de VS gebruik te kunnen maken van speciale aanpassingen volgens de Americans with Disabilities Act uit 1990 is het noodzakelijk om te onthullen dat je een stoornis hebt. In deze literatuurreview worden onderzoeksresultaten besproken over de volgende thema's: 1. Hoe gaat het onthullen in de concrete werkpraktijk? 2. Wat voor gevolgen heeft het onthullen voor de werknemer met een psychische stoornis? Van mensen in arbeidsrehabilitatieprogramma's wordt de stoornis door arbeidsbegeleiders aan werkgevers bekend gemaakt. Personen met duidelijk zichtbare symptomen hebben het liefst dat hun stoornis bij de werkgever bekend is. Over het algemeen wordt de stoornis vooral aan leidinggevenden in het bedrijf bekend gemaakt. De mate waarin personen met een psychische stoornis dit op de werkplek bekend maken loopt van 35% tot 87%. Het bekend maken van de stoornis leidt vaak tot meer begrip en ondersteuning, maar het komt ook wel voor dat de relatie met directe collega's op de werkvloer veel gespannener wordt.
Dit artikel maakt deel uit van het speciale nummer over 20 jaar IPS.
Amanda M. Jones (2011). Disclosure of Mental Illness in the Workplace: A Literature Review. American Journal of Psychiatric Rehabilitation
14 (3), 212-229.
Trefwoord: Werken
Gemeenschapsgevoel is voor personen in begeleid wonen-projecten deels van dezelfde factoren afhankelijk als voor anderen
Personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) wonen steeds vaker in een begeleide woonomgeving. Een belangrijk doel van begeleid wonen is integratie in de samenleving. Voor een deel kan dat worden uitgedrukt met de Sense of Community (SOC), het gemeenschapsgevoel. In deze Amerikaanse cross-sectionele studie (N=402) wordt de relatieve invloed van een zestal factoren op de SOC in kaart gebracht bij twee groepen EPA. Het gaat om algemene factoren zoals relaties met buren, veiligheid en tevredenheid met de buurt en EPA-specifieke factoren zoals psychiatrische diagnose, stigma van buurt ten opzichte van psychiatrische stoornissen en wijze van huisvesting. De SOC werd gemeten met de Brief Sense of Community Inventory (BSCI), algemene ervaringen met de buurt met de Housing Environment Survey (HES), Neighbor (HES-NBR) Scale en de Saftey (HES-S) Scale; unieke EPA-factoren met de Neighborhood Social Climate (HES-NSC) Scale. Er werden twee typen huisvesting onderscheiden: congregate (alleen EPA bij elkaar in één woning) en non-congregate. Het blijkt dat de beide soorten factoren significante invloed op het gemeenschapsgevoel bij de respondenten hebben, waarbij de algemene factoren het belangrijkst zijn. Verder hebben de EPA die samen wonen (congregate) een groter gemeenschapsgevoel dan de personen die zelfstandig wonen.
Townley G & Kloos B (2011). Examining the Psychological Sense of Community for Individuals with Serious Mental Illness Residing in Supported Housing Environments. Community Mental Health Journal
47 (4), 436-446
Trefwoord: Wonen
Laatst aangepast (dinsdag 20 december 2011 21:27)


