Home Phrenos Congres

    Achtergrondinformatie middagsessies Phrenos-Schizofreniecongres 'Minder bedden, betere zorg?!'

    1) Parallelsymposium 'De keerzijde van minder bedden'
    ronde I

    Het parallelsymposium is door de congrescommissie bedoeld als 'tegenhanger' van het plenaire gedeelte en richt zich op de ongewenste en onbedoelde effecten van de voorgenomen beddenreductie en passende oplossingen.

    • Zit de maatschappij wel te wachten op beddenreductie en ambulantisering?
    • Wat betekent het voor de familie en de woonbuurt van patiënten?
    • Krijgt de politie & de OGGZ, bij gebrek aan bedden, de overlastgevers weer terug in de politiecel? Feit is dat het aantal gedwongen opnames blijft stijgen en dat afbouwen daardoor weleens onmogelijk gaat worden. Aan de voordeur moet ook iets gebeuren.
    • Bedden weg, dat gaat niet zomaar! Is ambulante zorg wel betaalbaar?
    • Voor wie moeten er nog bedden zijn, hoe gaat vastgesteld worden wie er op de bedden komt te liggen en voor hoe lang?
    • De huidige zorg voldoet in grote lijnen, echter in de crisishulpverlening gaat het vaak weer mis. Opname-afdelingen (werkwijzen, gebouwen, procedures) zijn niet of nauwelijks gemoderniseerd, het is soms schaamtevol wat cliënten tegenkomen. Aandacht voor renovatie van de zorg bij (her)opname is nodig.
    • Idealiter zou de zorg zonder opnames moeten kunnen verlopen. Nu maken veel cliënten geweldservaringen mee in de psychiatrie.

    Voorzitter: em. prof. dr. D. Wiersma, socioloog,
    emeritus hoogleraar Klinische Epidemiologie van psychiatrische stoornissen, Rijksuniversiteit

    • mw. L. Bouwmeester, lid Tweede Kamer PvdA, kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport (o.v.)
    • drs. J.M. Fransman, bestuurslid GGz Nederland
    • mw. drs. M. van der Putten, psychiater, directeur Innovatie,
      GGz Noord-Holland Noord, Heilo
    • H. Slijpen, beleidsmedewerker, accountmanager gezondheidszorg Politie Utrecht, lid landelijke Politie-expertgroep GGz

    Inleiding
    Vanuit de politie onderhoud ik de contacten met alle gezondheidszorg-instellingen in de regio. Als de samenwerking tussen politie en zorg niet goed loopt, krijg ik daar een melding van. En dan ga ik onderzoeken hoe het beter kan. Ik doe dat voor de politie in de provincie Utrecht. Maar ik zit ook in de landelijke GGZ-expertgroep van de politie. Dus ik spreek ook voor mijn collega’s wanneer ik zeg dat ik als uw ketenpartner (stakeholder) erg ongerust ben over actuele ontwikkelingen in de zorg.

    Ongerustheid
    Het is vanzelfsprekend dat je mensen zoveel mogelijk in hun eigen omgeving moet laten leven en uiteraard moet je alleen dwang en drang toepassen wanneer dat ook echt nodig is.
    Toch zijn er complete overheidsprogramma's, met als motto het:

    • Verminderen van intramurale opnames
    • Verminderen van dwang en drang

    Daar heb ik grote moeite mee. Want dit zijn hele absolute kwantitatieve doelstellingen. En wat mij betreft zijn ze ook nog eens helemaal fout!

    Het gaat niet om de ‘kwantiteit’, maar om de ‘kwaliteit’. De doelstelling moet zijn dat je goede zorg wilt leveren, en dat je zoveel mogelijk goede alternatieven hebt voor dwang en drangtoepassingen. En wanneer je onverhoopt toch dwang of drang moet toepassen, dat je dat dan ook snel en doeltreffend kunt doen.

    Bezuinigingen
    Die kwantitatieve doelstellingen zijn ook nog eens heel gevaarlijk in een tijd dat alles aangegrepen gaat worden om te bezuinigen. Je loopt het risico dat er bedden afgebouwd worden zonder dat er iets voor terugkomt.
    Maar datgene wat er voor terug moet komen, namelijk meer ambulante zorg in de vorm van ACT of FACT-teams, loopt ook nog eens het risico om te verworden tot het afvoerputje van de zorg.

    We leven in een tijd waarin mensen een eigen bijdrage moeten gaan leveren voor bemoeizorg. En dat, dat niet werkt hoef ik hier eigenlijk niet uit te leggen: Je past immers niet voor niets bemoeizorg toe. Dat doe je juist bij zorgmijders of mensen die dat in eerste instantie niet willen. Daarbij heeft juist die groep die langs deze weg benaderd moet worden, ook nog eens geen geld.

    Lastige en gevaarlijke patiënten dreigen sneller in een ambulante setting geduwd te worden.
    Voor de meesten van u zal het niet onbekend zijn, dat de eerste lijn en de tweede lijn vaker van mening verschillen over het wel of niet opnemen van een patiënt. Wanneer die opnameafdeling ook nog eens geen isoleercel meer heeft, wordt het helemaal lastig om een plek te vinden.

    Wetenschappelijke onderbouwing onvoldoende
    Die doelstellingen, “het verminderen van intramurale opnames en het verminderen van drang en dwangtoepassingen” zijn ook niet ‘Evidence Based’.
    De cijfers die ik heb gezien waren onvoldoende. (Mogelijk heb ik de goede cijfers niet gezien.) Cijfers moeten in ieder geval afgezet worden tegen de totale samenstelling en/of opbouw van de bevolking. Bij de cijfers die ik gezien heb was dat niet het geval.

    Internationale vergelijkingen zijn dan ook uit den boze. In andere landen gelden andere wetten, het gaat dus veelal om een andere doelgroep en voor je het weet ben je appels en peren met elkaar aan het vergelijken. (Bijvoorbeeld in de VS zitten 750.000 mensen in de gevangenis vanwege softdrugs, die in Nederland vrij rondlopen.)
    Ook in andere Europese landen zijn er andere wetten en gaat een psychiatrisch patiënt eerder naar de gevangenis.

    Betere diagnostiek
    In Nederland wordt dan ook nog eens eerder onderkend dat er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, een verstandelijke beperking, hersenletsel etc. Dat is helemaal het geval bij mensen met een combinatie van problemen. In landen waar dat niet zo goed geregeld is, kom je tot een veel lager aantal psychiatrische patiënten ten opzichte van de totale bevolking van dat land. In sommige landen zitten veel patiënten in de gevangenis waarvan helemaal niet bekend is dat zij patiënt zijn. M.a.w. wat je niet weet of niet kent, kun je ook niet meetellen en dus heeft Nederland ineens een relatief groot aantal patiënten, dat intramuraal behandeld wordt of dat met dwang of drang-maatregelen te maken krijgt.

    Conclusie
    Toenemende ambulantisering ofwel “minder bedden” leidt niet per definitie tot “betere zorg”. Wij merken nu al een toename in de politiebemoeienis met patiënten van zorginstellingen. Zo verwerken we jaarlijks zo’n 18.000 meldingen van vermiste personen uit instellingen!

    Daar zit ook een toenemend aantal patiënten bij dat met een voorwaardelijke Rechterlijke Machtiging ambulant wordt begeleid. Wijkagenten worden al in toenemende mate geconfronteerd met patiënten waar zij zich geen raad mee weten.En het meest verdrietige vind ik persoonlijk, dat patiënten waarbij dat echt niet nodig is, uiteindelijk in de gevangenis terecht gaan komen.

    • drs. J. Zoeteman, psychiater, clustermanager behandelzaken,
      Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam

    Beddenreductie in grote steden: Wishful thinking?

    Inleiding
    Afgelopen jaren hebben de GGZ-instellingen in Nederland fors geïnvesteerd in ambulante zorgteams met een assertief karakter. Overal zijn (F)ACT-teams opgericht die er naar streven langdurig zorgafhankelijke patiënten in hun eigen omgeving (bemoei-)zorg te geven, om herstel te bevorderen en opnames te voorkomen. In de grote steden zijn er dientengevolge nauwelijks dakloze psychiatrische patiënten meer op straat. Een logische volgende stap is het geleidelijk terug brengen van de opnamecapaciteit omdat daar minder behoefte aan zou zijn. Vooralsnog is alleen in de Verenigde Staten aangetoond dat ACT leidt tot minder opnamedagen. In Europa zijn er veel minder aanwijzingen dat dit zo is. Is beddenreductie mogelijk zonder dat de zorg verslechterd? Zijn er vanuit een grootstedelijke krisisdienst al aanwijzingen dat er minder opnamebedden nodig zijn?

    Crisiscontacten
    Men mag verwachten dat patiënten die goed in zorg zijn minder snel onverwachts decompenseren en minder snel in beeld komen bij een krisisdienst. Sinds de oprichting van de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam in 2004 is het aantal spoedconsulten echter nog steeds aan het stijgen.
    In de helft van gevallen gaat het om voor de GGZ bekende patiënten.
    De ambulante hulpverlening kan kennelijk niet altijd de krisis voorkomen.

    Dwangopnames
    Het aantal dwangopnames in Nederland neemt nog steeds toe. In de grote steden nam tussen 1994 en 2007 het aantal IBS’en zelfs toe met ongeveer 300 procent naar 120 per 100.000 inwoners. Rechterlijke machtigingen worden steeds vaker aangevraagd. Het aantal bedden in Amsterdam is al gereduceerd en een groot deel van de opnames geschieden via een dwangmaatregel. Psychotische patiënten die zelf om opname vragen kunnen vrijwel alleen via dwangopnames aan een bed komen.

    Familie en omgeving

    Het gevaar waarvoor de dwangopname wordt aangevraagd, betreft niet zelden de directe omgeving. Familieleden kunnen de zorg voor hun psychiatrisch zieke familielid niet meer aan of soms worden ze zelfs fysiek door hun naaste bedreigd. Of buren kunnen niet meer slapen vanwege de geluidsoverlast, of dreigen zelfs het recht in eigen hand te nemen uit wanhoop en onbegrip. Het overbelastte, uitgeputte systeem vraagt dan om een opname. Het is de vraag of intensieve ambulante thuisbehandeling deze belasting en gevaren kan ondervangen. *

    Urbanisatie en toename van psychopathologie
    Steeds meer mensen wonen in de stad. Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw leven er meer mensen in de stad dan op het platteland. Inmiddels is bekend dat wonen in grote steden op zichzelf een risicofactor vormt voor het ontstaan van psychoses. Het is aannemelijk dat dit samenhangt met de hektiek en grote hoeveelheid prikkels in een grote stad, maar ook met eenzaamheid, beschikbaarheid van drugs en concentraties van allochtone groepen die een verhoogde kans hebben op het ontwikkelen van een psychose. Mogelijk speelt bij de stijging van het aantal IBS'en ook een toenemende verharding, agressie en intolerantie in het publieke domein in de laatste decennia een rol.

    Conclusie
    Vanuit de grote stad zijn er aanwijzingen dat het afbouwen van klinische opnamecapaciteit zonder goed ambulant alternatief een risico geeft op meer krisiscontacten, meer (kortdurende) dwangopnames, meer overlast (verschuiving van opnames naar de politiecel), een verschuiving van het behandelfocus van herstel weer terug naar alleen symptoomreductie en uiteindelijk zelfs toename van stigma voor psychiatrische patiënten. Beddenreductie is mogelijk ook niet goedkoper, wanneer alle kosten voor de gemeenschap worden meegenomen.

    * Bovendien is in Amsterdam meer dan 10% van de opnames voor buitenlanders (toeristen, illegalen, etc.), waarvoor ambulante thuisbehandeling niet kan worden ingezet.

    2) Parallelsymposium II ‘Minder bedden, meer herstel’
    ronde II

    Voorzitter: drs. J.M. Fransman, voorzitter RIBW Alliantie, Raad van Bestuur, HVO Querido, Amsterdam


    Tijdens het parallelsymposium staat herstelgerichte zorg centraal.

    • drs. J.M. Fransman

    Samenwerking in herstelgerichte zorg:
    de positie van RIBW-zorg in de GGZ-keten

    Jaap Fransman zal in zijn inleiding een beeld schetsen van de positie van RIBW-zorg in de GGz-keten.
    Hij zal met name inzoomen op de samenwerking tussen verschillende GGz-aanbieders teneinde cliënten zoveel mogelijk in hun eigen omgeving te kunnen behandelen en begeleiden.
    Maar de keten is groter dan de GGz. In zijn presentatie zal tevens aandacht besteed worden aan de GGz als samenwerkingspartner van woningbouw-coorperaties, welzijnszorg, UWV en vele andere partijen die een cliënt van dienst kunnen zijn in zijn herstelproces.

    contactadres
    RIBW-alliantie
    mw. E. Mulder
    Wibautstraat 133 D
    1097 HN Amsterdam
    tel.: 020-5619090
    e-m: info apenstaart ribwalliantie.nl

    • J.L. Berndsen, voorzitter Werkplaats Herstelondersteuning,
      Raad van Bestuur, SBWU, Utrecht

    Verandering van het fundament:

    Herstelondersteuning door de SBWU en de Werkplaats Herstelondersteuning
    De aanwezigen worden meegenomen in het hele proces wat zich afspeelt als je de ambitie hebt een herstelondersteunende organisatie te worden
    Van het aanpassen van de missie en visie op zorg en de inzet van ervarings-deskundigen op alle niveaus. Tot het selecteren, scholen en beoordelen van medewerkers op basis van de samen met cliënten opgestelde 5 B’s. Betrouwbaar, Bekwaam, Betrokken, Bewust en Betekenisgevend.
    Ik doe verslag van een kwaliteitsaudit van Mary O’Hagan, een Nieuwzeelandse expert op het gebied van recovery en welke acties daar de afgelopen periode uit hebben voortgevloeid.

    Contactadres
    SBWU
    J. Berndsen
    Furkaplateau 15
    3524 ZH Utrecht
    tel.: 030-2361070
    e-m: janberndsen apenstaart sbwu.nl

    • mw. dr. J.A. van Gestel, onderzoeker,
      Tranzo, Universiteit van Tilburg

    Herstellen doe je zelf; evaluatie van een cliëntgestuurde cursus

    Samenvatting
    De cursus ‘Herstellen doe je zelf’ is bedoeld voor mensen met ernstige langdurige psychiatrische problematiek, die toe zijn aan het werken aan hun herstel. De cursus is gebaseerd op de herstelvisie; herstel wordt gezien als een proces, waarbij nieuwe zin en betekenis in het leven ontstaan, los van de symptomen, beperkingen en het stigma van de ziekte.
    Het gaat om twaalf bijeenkomsten van twee uur die worden geleid door twee getrainde ervaringsdeskundige cursusleiders, die zelf ook eerder de cursus hebben gevolgd. Elke bijeenkomst heeft een thema dat te maken heeft met herstel. Deelnemers krijgen informatie over het thema en wisselen hun ervaringen uit. Vervolgens wordt er gelegenheid geboden om oefeningen te doen en vaardigheden te trainen.
    Thema’s zijn onder andere: persoonlijke ervaringen met herstel, keuzes maken met betrekking tot zorg of dagelijkse problemen, doelen stellen en het krijgen van sociale steun.
    Het gemiddelde aantal deelnemers is 5 tot 8 per cursus.
    Belangrijke elementen van de cursus zijn: de aanwezigheid van rolmodellen, psycho-educatie, leren van elkaars ervaringen, sociale steun en huiswerk-opdrachten.

    Het effect van de cursus is onderzocht met behulp van een gerandomiseerde, gecontroleerde onderzoeksopzet (RCT) waar 13 organisaties in Nederland aan deelnamen. In het onderzoek zijn twee groepen vergeleken: mensen die de cursus volgden en mensen die op de wachtlijst stonden om de cursus te gaan volgen. Deze laatste groep kreeg de cursus een half jaar later.
    Daarnaast is de uitvoerbaarheid van de cursus kwalitatief onderzocht.

    Na drie maanden hadden deelnemers significant hogere scores op belangrijke elementen van herstel: empowerment, hoop en (zelf)vertrouwen.
    Deze effecten hielden in elk geval nog aan tot drie maanden na de cursus. Vergelijkbare resultaten werden gevonden in de controleconditie, toen deze deelnemers zes maanden later de cursus gingen volgen.

    Auteurs

    • Dr. J.A.W.M. van Gestel-Timmermans,
      onderzoeker Tranzo, Universiteit van Tilburg
    • Dr. E.P.M. Brouwers,
      senior onderzoeker, Tranzo, Universiteit van Tilburg
    • Dr. M.A.L.M. van Assen,
      Universitair docent, Departement Methoden en Technieken van Onderzoek, Universiteit van Tilburg
    • Prof. dr. Ch. van Nieuwenhuizen,
      Hoogleraar Forensische Geestelijke Gezondheidszorg, Universiteit van Tilburg, GGzE centrum kinder- en jeugdpsychiatrie .


    contactadres
    Universiteit van Tilburg
    Tranzo
    mw. dr. J. van Gestel
    Kamer T 518
    Postbus 90153
    5000 LE Tilburg
    tel.: 013-4668182
    e-m: j.a.w.m.vangestel apenstaart uvt.nl

    3) Onderzoekspresentaties I: Neurocognitieve stoornissen bij mensen met een psychose, het GROUP-project
    ronde I

    Moderator: drs. J. van der Linde, psychiater, Altrecht GGz, Utrecht

    Neurocognitieve profielen, op zoek naar betere endofenotypes
    drs. P. Quee, psycholoog, onderzoeker GROUP & RGOc, UMCG, Groningen

    Uit onderzoek is gebleken dat patiënten met een psychotische kwetsbaarheid vaak moeite hebben met opdrachten die beroep doen op het geheugen, plannen, en concentreren. Deze functies worden ook wel cognitieve functies genoemd, en kunnen worden getoetst door middel van korte opdrachten. Hoewel broers en zussen ( ‘brussen’) van patiënten het ook iets minder goed doen op dergelijke opdrachten zijn uitkomsten uit genetisch onderzoek nog altijd teleurstellend. Mogelijk bestaat de groep broers en zussen uit verschillende subtypen met elk een uniek cognitief profiel.
    Van slechts een klein gedeelte van de brussen kan namelijk gezegd worden dat ze een cognitieve functiestoornis hebben. Cognitieve subtypen zouden meer inzicht kunnen geven in endophenotypen, ofwel de kenmerken van schizofrenie die binnen de familie aanwezig zijn. Brussen die horen bij een bepaald cognitief subtype zouden namelijk op verschillende manieren te maken kunnen hebben met de problematiek van hun familielid met de psychotische kwetsbaarheid.
    In de presentatie komt een methodiek aan bod die het mogelijk maakt om bovenstaande vraagstellingen te beantwoorden.

    Contactadres
    UMCG
    Psychiatrie & RGOc
    drs. P.J. Quee
    9700 RB Groningen
    tel.: 050-3612034
    e-m: p.j.quee apenstaart umcg.nl

    Relatie tussen neurocognitie en negatieve symptomen bij mensen met een non-affectieve psychose en hun familieleden
    drs. A. Shazad, psychiater, GROUP, Universiteit Maastricht

    Achtergrond
    Neurocognitieve beperkingen vormen een van de belangrijke kernsymptomen van psychotische stoornissen en zijn vaak geassocieerd met de negatieve symptomen. De vraag is of deze associatie door gedeelde etiologische factoren verklaard kunnen worden.

    Doel
    Onderzoeken of siblings (broer en zussen) van patiënten met meer negatieve symptomen lager scoren op taken waarmee neurocognitie wordt gemeten.

    Dit zou betekenen dat dezelfde onderliggende (genetische) factoren een rol spelen bij het ontstaan van cognitieve en negatieve symptomen.

    Methoden
    In het kader van Genetic Risk and Outcome of Psychotic disorders (GROUP) project werden bij de basismeting 1054 patiënten en 1032 siblings gerekruteerd. Middels multilevel regressie analyses werd gekeken naar de associatie tussen 10 neurocognitieve maten en de negatieve symptomen bij patiënten ( within-patient, cross-trait) en bij siblings en patiënten onderling (cross-sibling, cross-trait).

    Resultaten
    Er bleek geen sprake te zijn van een familiale clustering. De associatie tussen neurocognitie en negatieve symptomen kunnen niet door gedeelde genetische/familiale factoren verklaard worden.

    Contactadres
    a.shazad apenstaart sp.unimaas.nl

    Cognitie en familiale belasting bij mensen met een psychose
    mw. drs. K. Verweij, Afdeling Psychiatrie, UMC Utrecht

    Contactadres
    k.verweij-2 apenstaart umcutrecht.nl

    De rol van vetzuren
    mw. drs. W. Hoen, onderzoeker GROUP, Zorglijn Vroege Psychose,
    AMC Psychiatrie, Amsterdam

    Verschillende onderzoeken hebben bij mensen met een psychose een tekort aangetoond in de omega-3 en omega-6 vetzuren. Met name bij patiënten die nog geen antipsychotica gebruikten waren de tekorten het grootst. Er is echter maar 1 onderzoek geweest waarin ook bij eerstegraads familieleden van patiënten met een psychose is gekeken naar de vetzuren. Hierin werden ook tekorten gevonden bij hen, maar minder grote tekorten dan bij de patiënten.
    In het GROUP-project is bij 212 patienten, 177 broers/zussen, 168 ouders en 94 controles bloed afgenomen om de vetzuursamenstelling te bepalen.
    In de presentatie wordt uitgelegd wat vetzuren zijn en wat het belang is. Vervolgens worden de resultaten van een meta-analyse gepresenteerd en de eerste resultaten van het GROUP-project.

    Contactadres
    Mentrum/Arkin
    poli Domselaerstraat
    mw. drs. W.P. Hoen
    1093 MB Amsterdam
    tel.: 020-5908610
    e-m: wendela.hoen apenstaart mentrum.nl

    4) Onderzoekspresentaties II:
    Angst, dwang en affectieve stoornissen bij mensen met een psychose

    • het GROUP-project

    ronde II

    Moderator: dr. D. Tenback, psychiater, GGz Centraal, Amersfoort

    Obsessieve Compulsieve Stoornis OCD bij psychose
    mw. drs. M. Swets, psychiater, Arkin & coördinator GROUP en AMC Psychiatrie, Amsterdam

    Achtergrond
    Al langere tijd is bekend dat obsessief compulsieve symptomen (OCS) relatief veel voorkomen bij patiënten met schizofrenie. Over OCS bij gezonde individuen, met een genetisch verhoogd risico op het ontwikkelen van schizofrenie, verwanten van patiënten met schizofrenie, is nog vrijwel niks bekend.

    Doel
    Het bepalen van de prevalentie van OCS bij patiënten met schizofrenie, hun verwanten en controles. De associatie tussen psychotische psychopathologie en OCS bepalen en die vergelijken tussen patiënten, hun verwanten en de controles en binnen “gezonde” sibling-patiënt paren.

    Methoden
    OCS is bepaald met de Y-BOCS (cut-off>=10), bij 987 patiënten, 973 siblings, 850 ouders en 566 controles die deelnemen aan het GROUP onderzoek. Daarnaast is (pre)psychotische psychopathologie gemeten met de CAPE, bij alle groepen en de SIS-R bij siblings, ouders en controles.
    In logistische en multilevel analyses is gekeken naar associaties van de verschillende variabelen.

    Resultaten
    OCS komt bij siblings significant vaker voor dan bij controles, maar veel minder vaak dan bij patiënten, prevalentie: patiënten 19%, siblings 4.3%, ouders, 2.6%, controles, 1.6%. Er is een duidelijke positieve associatie tussen psychopathologie en OCS. Deze is bij de verwanten het sterkst en bij controles niet significant.

    Conclusie
    De OCS prevalentie is bij siblings van patiënten met schizofrenie iets hoger ten opzichte van controles. Deze verhoging is klein ten opzichte van het verschil in prevalentie tussen patiënten en controles. OCS is geassocieerd met psychotische psychopathologie. Deze associatie is bij verwanten het sterkst.

    Contactadres
    Arkin
    PuntP
    mw. drs. M. Swets

    Frederik Hendrikstraat 47
    1052 HK Amsterdam
    tel.: 020-6904777
    e-m:marije.swets apenstaart puntp.nl

    De Angst Factor in schizofrenie: Herkenning van angst maakt sociale interacties stressvol
    mw. drs. M. Janssens, psycholoog, GROUP, Universiteit Maastricht

    De relatie tussen affect-herkenning en sociaal functioneren
    in het dagelijks leven

    Mensen met schizofrenie hebben vaak problemen met de verwerking van emoties. Het herkennen van emoties bij anderen is hier een voorbeeld van. Eerder onderzoek laat zien dat mensen met schizofrenie slechter zijn in het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen en dat dit invloed heeft op het sociaal functioneren gemeten met vragenlijsten, evaluatieschalen en rollenspellen. Hoe deze problemen in affect-herkenning tot uiting komen
    in het dagelijks leven van schizofreniepatiënten is echter nog onduidelijk.
    In onze studie hebben we daarom gebruik gemaakt van Experience Sampling (ESM), een gestructureerde dagboekmethode die het mogelijk maakt om te kijken naar alledaagse sociale momenten.

    De onderzoeksvraag was: (i) verschillen mensen met schizofrenie van gezonde controles in affect-herkenning, (ii) wat is de invloed van affect-herkenning op sociaal functioneren in het dagelijks leven gemeten met ESM, en (iii) is het verband tussen affect-herkenning en sociaal functioneren anders voor mensen met schizofrenie dan voor gezonde controles.

    De resultaten laten zien dat patiënten enkel slechter presteren op het herkennen van boze gezichten. Verder zijn prestaties op het herkennen van emotionele gezichten niet van invloed op sociaal functioneren in het dagelijks leven en is er geen verschil tussen patiënten en controles in dit verband.

    Dit laat zien dat de relatie tussen affect-herkenning en sociaal functioneren niet eenduidig is en dat het belangrijk is in de toekomst onderzoek met uitkomstmaten die duidelijk gerelateerd zijn aan het dagelijks leven voort te zetten.

    Contactadres
    Universiteit Maastricht
    School for Mental Health and Neuroscience (MHeNS)
    mw. drs. M. Janssens
    Postbus 616
    6200 MD Maastricht
    tel.: 043-3688666
    e-m:mayke.janssens apenstaart maastrichtuniversity.nl

    Emotie regulatie bij psychosen. Een fMRI studie
    mw. drs. J.van der Velde, psycholoog, GROUP en NeuroImaging Centre (NiC) UMCG, Groningen

    Moeite met het verwerken van emoties is een bekend verschijnsel bij patiënten met schizofrenie. Ook in groepen met een verhoogd risico op een psychose (ARMS, familieleden) zijn hier aanwijzingen voor.
    Een belangrijk onderdeel van emotieverwerking is emotieregulatie. Er zijn al aanwijzingen dat patiënten hierin verschillen, maar over de neurale basis en emotieregulatie in ‘verhoogd risico’ groepen is nog maar weinig bekend. Omdat emotieregulatie, onder andere, invloed heeft op het sociaal functioneren, is het belangrijk om dit in kaart te brengen.
    In de presentatie zullen de verschillen in emotieregulatie tussen patiënten, deelnemers uit de ARMS-populatie en familieleden van patiënten worden besproken. Ook zal worden ingegaan op de neurale basis hiervan.

    Contactadres
    UMCG
    NeuroImaging Center (NiC)
    Cognitieve Neurowetenschappen
    mw. drs. J. van der Velde
    Antonius Deusinglaan 2
    9713 AW Groningen
    tel.: 050-3638792
    jorien.van.der.velde apenstaart umcg.nl

    Depressieve symptomen bij schizofrenie en de invloed op het brein.
    Een sMRI studie
    mw. dr. W. Cahn, psychiater, afdeling Psychiatrie, UMC Utrecht

    contactadres
    w.cahn apenstaart umcutrecht.nl


    5)
    Onderzoekspresentaties III
    Vroegdetectie en preventie van psychose: de resultaten van het psychose preventieonderzoek EDIE.NL
    ronde II

    In de loop der jaren zijn de Vroege Interventie teams (VIP)-teams als paddenstoelen uit de grond geschoten. Het doel van deze teams is om steeds eerder in de psychose te interveniëren met als uiteindelijke doel de verbetering van sociaal functioneren en daarmee samenhangend de prognose voor de patiënt.
    Eind jaren negentig ontdekten McGorry en Yung (1996) een groep patiënten die subklinische symptomen rapporteerden, maar (nog) niet psychotisch waren. Zij hebben een At Risk Mental State (ARMS) om een psychose te ontwikkelen en zoeken vaak hulp voor deze klachten in de tweede lijn.
    Sinds de ontdekking van deze groep, is de mogelijkheid ontstaan om te onderzoeken of we een psychotische episode kunnen uitstellen of voorkomen. In ieder geval wordt door deze manier van werken een DUP van 0 bereikt indien jongere toch psychotisch wordt.

    De Nederlandse EDIE.NL-studie screent in een hulpzoekende populatie in de hoop mensen met een ARMS vroegtijdig te herkennen, zodat door middel van een experimentele CGT een transitie naar psychose kan worden uitgesteld of voorkomen.

    De onderzoekspresentaties geven een overzicht over de huidige stand van zaken binnen de vroegdetectie van psychose in Nederland.
    Er zal onder andere worden ingegaan op de risicofactoren voor de ontwikkeling van psychose en de karakteristieken van de ARMS-populatie. Verder zal meer duidelijk worden over de effectiviteit van de detectiemethoden dat het EDIE-onderzoek hanteert. Daarnaast zullen de data worden gepresenteerd uit het EDIE-onderzoek over de effectiviteit van de CGT die in het EDIE-onderzoek wordt gebruikt.

    Voorzitter: prof. dr. M. van der Gaag, klinisch psycholoog, hoofdonderzoeker EDIE.NL, Parnassia Bavo Groep, hoogleraar Klinische Psychologie,Vrije Universiteit Amsterdam

    De detectie van patiënten met een verhoogd risico op psychose: screenen vs.verwijzen.
    Gewone of Buitengewone psychische klachten?
    mw. drs. J. Rietdijk MSc, psycholoog, Parnassia Bavo Groep, Den Haag en promovendus Klinische Psychologie, VU, Amsterdam

    De vroegdetectie van psychose is momenteel vooral gebaseerd op verwijzing van patiënten naar gespecialiseerde (derdelijns)klinieken. Prepsychotische symptomen zijn echter vaak subtiel en moeilijk te herkennen als subklinisch. Hierdoor wordt een deel van de patiënten pas doorverwezen als de transitie naar psychose al is gemaakt.
    Uit onderzoek is gebleken dat meer dan de helft van de patiënten die voor een psychose worden behandeld, in de prodromale fase al hulp heeft gezocht voor niet-psychotische klachten. De hulpzoekende populatie is wellicht een verrijkte visvijver voor de detectie van hoogrisico-patiënten.

    In de EDIE-studie wordt gebruik gemaakt van twee detectiemethoden.
    In Den Haag werden alle mensen die zich tussen februari 2008 en februari 2010 aanmeldden bij PsyQ (leeftijd 18-35 jaar) gescreend met de Ervaringen lijst (vertaalde Prodromal Questionnaire, (Loewy, 2005).
    Mensen die boven de cut-off score van 18 scoorden, werden geïnterviewd met de Comprehensive Assessment of at Risk Mental States (CAARMS; Yung, 2005).
    In het AMC Amsterdam werden alle verwezen mensen geïnterviewd met de CAARMS.
    Wij hebben onderzocht of de gescreende en de verwezen groep van elkaar verschilden. In de presentatie zal dieper worden ingegaan op de resultaten en de implicaties voor de vroegdetectie.
    Met de screeningsmethode werden twee keer zoveel mensen (N=93) geïncludeerd dan met de verwijzing (N= 41). De gescreende groep was significant vaker vrouw, ouder, vaker getrouwd en werkend dan de verwezen groep. Ook maakte deelnemers uit de screende groep vaker de transitie naar psychose en scoorden zij hoger op depressie, sociale angst, positieve items van de Ervaringenlijst en distress met de positieve psychotische symptomen.
    Het lijkt erop dat vooral jonge mannen worden verwezen naar de derdelijnsklinieken, omdat de negatieve symptomen worden opgemerkt door bezorgde ouders en leraren. Screening detecteert de zelfstandig wonende vrouwen die door verwijzers over het hoofd worden gezien. De hogere leeftijd, hogere transitieratio en de ernstigere psychopathologie in de gescreende groep, lijkt er op te wijzen dat screening de mensen detecteert in de laat prodromale fase, terwijl verwijzen in een eerder stadium gebeurt.

    Reference List

    Loewy,R.L., 2005. The Prodromal Questionaire (PQ): Preliminary validation of a self-report screening measure for prodromal and psychotic syndromes.
    Yung,A.R., 2005. Mapping the onset of psychosis—the Comprehensive Assessment of At Risk Mental States (CAARMS).

    Contactadres
    Vrije Universiteit Amsterdam
    Klinische Psychologie
    mw. drs. J. Rietdijk, MSc
    Van der Boechorstraat 1
    1081 BT Amsterdam
    tel.: 06-16514701
    e-m: j.rietdijk apenstaart parnassia.nl

    Voorspellers van ARMS en psychose.De verkorte versie van de Prodromal Questionnaire (PQ-16)
    mw. drs. H. Ising Msc, psycholoog en promovendus,Early Detection and Evaluation Team, Parnassia Bavo Groep, Den Haag

    De Prodromal Questionnaire (PQ, Loewy e.a., 2005) is een zelfinvulvragenlijst, bestaande uit 92 waar/onwaar stellingen. De PQ is onderverdeeld in 4 subschalen (positieve, negatieve, gedesorganiseerde en algemene symptomen). De grootste subschaal bevat 45 stellingen over positieve symptomen van een psychose. Het instrument is ontwikkeld om patiënten te detecteren die ‘at risk’ zijn voor psychotische klachten. In een hulpzoekende populatie is een sensitiviteit van 90% en een specificiteit van 90% gevonden. Het doel van deze studie is een kortere versie van de PQ te ontwikkelen, met behoud van goede psychometrische eigenschappen.

    Alle hulpzoekende patiënten in de leeftijd 18 t/m 35 jaar die zich in januari 2008 t/m maart 2010 hebben aangemeld bij een tweedelijns GGZ-instelling in Den Haag (N=3671) zijn gescreend met de PQ.
    Patiënten met een score van 18 of meer op de subschaal met positieve symptomen die aan de inclusiecriteria voldeden, zijn gescreend met de Comprehensive Assessment of At Risk Mental State (CAARMS, Yung e.a., 2005) (N=420). De CAARMS maakt onderscheid tussen ‘at risk mental state’ (ARMS), psychose of ‘geen diagnose’. Daarnaast is de CAARMS, steekproefsgewijs, afgenomen bij patiënten die onder de cutoff scoorden (N=147).

    Logistische regressie analyses zijn uitgevoerd om het aantal items van de PQ te reduceren. Hierna is de nauwkeurigheid van de verkorte versie van de PQ (PQ-16) geëvalueerd middels Receiver Operation Characteristics (ROC) curve analyses.

    De PQ-16 bestaat uit 14 beweringen van de positieve subschaal en 2 van de negatieve subschaal. Met een cutoff van 6 is een sensitiviteit van 87% en een specificiteit van 87% (AUC=0.931, p=0.000) gevonden. Daarnaast is er een positieve predictieve waarde van 44% en een negatieve predictieve waarde van 98% gevonden.

    De verkorte versie van de Prodromal Questionnaire (PQ-16) lijkt een nauwkeurig screeningsinstrument om patiënten in een hulpzoekende populatie te detecteren met een ‘at risk mental state’.

    Loewy R.L. Bearden, C.E., Johnsen, J.K., Raine, A., & Cannon, T.D. (2005).
    The prodromal questionnaire (PQ): preliminary validation of a self-report screening measure for prodromal and psychotic syndromes. Schizophrenia research 77, 141-149.
    Yung A.R., Yuen H.P., McGorry P.D., Phillips L.J., Kelly D., Dell'Olio M., Buckby, J. (2005).

    Mapping the onset of psychosis -
    the Comprehensive Assessment of At Risk Mental States (CAARMS).
    Australian and New Zealand Journal of Psychiatry 39(11-12), 964-971.

    Contactadres
    e-m: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. apenstaart parnassia.nl

    Het exploreren van Gen x Omgeving interacties in ARMS-patiënten
    mw. dr. S. Dragt, psychiater in opleiding, Zorglijn Vroege Psychose,AMC Psychiatrie, Amsterdam en promovendus EDIE.NL

    Erfelijkheidsstudies wijzen op een sterk genetische kwetsbaarheid bij schizofrenie. Het ‘stress-kwetsbaarheid’ model laat zien dat genetica alleen een deel van de schizofrenie incidentie verklaart.
    Van cannabisgebruik in de adolescentie wordt nu aangenomen dat het de kans op het ontstaan van een psychose vergroot. Cannabis is verreweg de bekendste risicofactor voor een psychose.
    Echter niet alle mensen die cannabis gebruiken worden psychotisch en niet alle patiënten met schizofrenie gebruiken cannabis. Dit suggereert dat er een bepaalde (genetisch) kwetsbare groep is waarbij cannabis een gevaar vormt, maar ook dat er naast cannabis gebruik andere risicofactoren zijn voor het ontstaan van een eerste psychose.
    Recente epidemiologische en retrospectieve studies geven aanwijzingen voor een interactie effect tussen cannabis en het catechol-O-methyltransferase (COMT) gen die gerelateerd is aan een verhoogde kans op het ontwikkelen van een psychose1.
    Ernst van klachten bij jongeren met verhoogd risico op het krijgen van een psychose (At Risk Mental State; ARMS), het cannabis gebruik en COMT genotype werd bepaald bij 147 hulpzoekende jongeren in ‘Early Detection and Intervention Evaluation’ (EDIE-NL) trial.
    Wij vonden een interactie-effect tussen het COMT Val158Met gen en cannabis in jongeren met een ARMS. Deelnemers die wekelijks cannabis gebruikten hadden ernstigere positieve symptomen en dit effect was sterker als ze drager waren van het COMT valine158 allel en het sterkst als ze homozygoot waren voor het valine allel.
    Dit zou kunnen betekenen dat je het COMT Val158Met polymorphisme het effect van cannabis op ernst van symptomen modereert.
    Concluderend moet je een zekere genetische kwetsbaarheid hebben wil het cannabisgebruik schadelijke gevolgen hebben. Deze resultaten geven meer inzicht in het gen-omgevings interactie model.

    1Caspi A, Moffitt TE, Cannon M, et al.
    Moderation of the effect of adolescent-onset cannabis use on adult psychosis by a functional polymorphism the catechol-O-methyltransferase gene: longitudinal evidence of a gene×environment interaction.
    Biol Psychiatry 2005;57(10):1117–1127

    Contactadres
    e-m: s.dragt apenstaart amc.uva.nl

    Karakteristieken van de EDIE-groep en verschillen tussen de jongere en de oudere groep
    mw. drs. R. Klaassen, K&J-psychiater, EDIE/EDIT teampsychiater, Rivierduinen, Leiden en promovendus EDIE.NL

    Het detecteren van hulpzoekende jongeren met milde psychotische klachten (ARMS) heeft een enorme vlucht genomen.
    Ook de leeftijdgrens waarbinnen gezocht wordt, wordt steeds lager met aanvankelijk 18 als ondergrens en nu steeds vaker 14 en soms zelfs 12.
    ARMS fase houdt in dat jongeren milde positieve psychotische symptomatologie hebben, qua intensiteit of qua duur, of dat ze een genetische belasting hebben; beide groepen moeten om at risk te zijn ook een daling van hun sociaal functioneren hebben. Positieve symptomen is meestal slechts een van de symptoomclusters waar de at risk groep last van heeft.
    Het grootste deel van de groep heeft last van, en is aangemeld met symptomen als depressie, angst en negatieve symptomen. Dit geldt voor zowel de jongere als de oudere at risk groep.
    De aanname dat de jongere groep dan ook wel in dezelfde mate last zal hebben van deze symptomen wordt tegengesproken door de literatuur betreffende early onset en adolescent onset schizophrenia: de jongere groep meer last heeft van ontwikkelingsproblemen vooraf, evenals negatieve symptomen; ook hun prognose is slechter.
    Binnen EDIE hebben we jongeren tussen de 14 en 35 jaar geïncludeerd en zowel naar de at risk-symptomen als naar andere symptomen als depressieve, angst en negatieve symptomen gekeken.
    Onderzoeker zal adhv EDIE data symptomatologie van deze groep beschrijven evenals of de jongere groep last heeft van andere symptomen.
    Daarnaast over de transitie naar psychose: welke symptomen zijn gerelateerd aan transitie en speelt leeftijd een rol mbt transitie?

    Literatuur:
    Barbara A. Cornblatt, Ph.D., Todd Lencz, e.a.
    The Schizophrenia Prodrome Revisited: A Neurodevelopmental Perspective. Schizophrenia Bulletin 2003 29(4):633-651;
    Armando M., Nelson, B., Yung, A.R., Ross, M., Birchwood, M., Girardi, P., Nastro, P.F. (2010). Psychotic-like experiences and correlation with distress and depressive symptoms in a community sample of adolescents and young adults Schizophrenia Research 119, 258–265

    Contactadres
    r.klaassen apenstaart ggzkinderenenjeugd.nl

    Preventie van psychose: de effectiviteit van CGT bij bijzondere ervaringen
    prof. dr. M. van der Gaag

    Achtergrond
    Er zijn kleine studies die tonen dat een cognitief gedragstherapeutische interventie mogelijk een eerste psychose kan uitstellen of voorkomen.
    De studies hadden echter te weinig power om echt overtuigend te zijn.In Engeland is een grote studie, genaamd EDIE (Early Detection and Intervention Evaluation) gestart.
    In Nederland is een vergelijkbare studie gestart, genaamd EDIE.NL van 1 februari 2007 tot 1 augustus 2011.

    Methode
    Zowel verwijzing als screening van een hulpzoekende groep is onderzocht op mild psychotische symptomen en daarna gerandomiseerd in routine behandeling of routine behandeling plus Cognitieve Gedragstherapie voor ultrahoog risico patiënten (CGTuhr).
    De CGTuhr is een cognitief gedragstherapeutische behandeling toegespitst op de groep met een ultrahoog risico op het ontwikkelen van een psychose.
    De behandeling richt zich op een aantal cognitieve tendensen die al voor de psychose aanwezig zijn en een rol spelen bij het ontstaan en onderhouden van een psychose.

    Resultaten
    De studie is nu in de laatste fase van data-inwinning. Op het congres zullen de finale gegevens gepresenteerd worden.

    Discussie
    De consequenties van de uitkomsten voor de hulpverlening worden systematisch doorgenomen.

    Contactadres
    e-m: m.van.der.gaag apenstaart me.com

    6) Kies je weg: een spel om contact te maken
    ronde I

    mw. M. Lansen, voorzitter
    mw. C. Blanke, bestuurslid
    mw. C. van Alphen, penningmeester
    Anoiksis, Utrecht

    Kies je weg’ is een spel om contact te maken.
    Mensen kunnen elkaar leren kennen op verschillende niveaus: Van ‘houd je van honden of van katten?’ tot ‘Ben je altijd verantwoordelijk voor je eigen gedrag?’ Met dit spel willen we het lotgenotencontact verdiepen en vernieuwen. Het spel is voor mensen met een psychotische kwetsbaarheid en (of) de naast-betrokkenen. Daarnaast is het ook geschikt om bijvoorbeeld collega’s te leren kennen.
    Wij hebben gemerkt dat juist in gemengde groepen een mooi gesprek kan ontstaan.

    Programma:

    • Presentatie over Anoiksis:
      Activiteiten rondom beeldvorming Lotgenotencontact
      Ontwikkeling en implementatie van het spel ‘Kies je weg’
    • Ontmoeten met ‘Kies je weg’


    contactadres
    Anoiksis
    mw. M. Lansen
    Gansstraat 67a
    3582 EC Utrecht
    tel.: 030-2546113 / 06-29481654
    e-m:anoiksis1011apenstaart yahoo.com

    7) Spiritualiteit en zingeving als sleutel bij herstel
    ronde I

    dr. G.J. van der Kolm, specialist Levensbeschouwelijke zorg
    Yulius GGz, Dordrecht

    Door de diagnose schizofrenie verandert het levensperspectief van betrokkene radicaal en kan een diepe crisis in zingeving en spiritualiteit ontstaan.
    Vaak ontstaat ook een breuk met een dragend spiritueel netwerk. Een deel van de cliënten zoekt steun of verlossing bij nieuwere religieuze bewegingen. Verwaarlozing van deze dimensie kan herstel ernstig belemmeren, terwijl de gerichte aandacht ervoor herstel beslissend kan bevorderen.
    Professionals moeten meer sensibiliteit ontwikkelen voor deze dimensie en schroom overwinnen om externe levensbeschouwelijke netwerken te betrekken in hun benadering.
    Programma:

    • De resultaten van het project ‘zingeving in herstel’ worden middels pp gepresenteerd en toegelicht:
    • resultaat van 70 intakegesprekken
    • scholing van personeel en
    • de gevolgen voor beleid en praktische werkvormen.

    Aan de hand van casuïstiek wordt het werken met deze dimensie ingeoefend.

    contactadres
    Yulius GGz
    LZ&B
    dr. G.J. van der Kolm
    Specialist levensbeschouwelijke zorg
    Kasperspad 79
    3311 ZE Dordrecht
    tel.:06-10940023
    e-m:g.vanderkolm apenstaart yulius.nl

    8) Wat is er aan de hand met herstel?
    ronde I

    mw. drs. M. van Bakel, coördinator
    HEE-team, Trimbos instituut, Utrecht
    mw. drs. D. Boertien, coordinator
    Landelijk steunpunt Inzet Van Ervaringsdeskundigheid in de GGz (LIVE), Kenniscentrum Phrenos, Utrecht

    Een toenemend aantal instellingen heeft de ambitie om herstelondersteunend te werken. Herstelondersteunende zorg sluit aan bij het herstelproces van cliënten en laat het herstellend vermogen van cliënten in tact.
    Bij de beschrijvingen van hoe je dat dan doet, dat aansluiten en in tact laten van het eigen herstellend vermogen, denk je nogal eens, 'ja, natuurlijk, nogal wiedes, zo moet dat'.
    Toch blijkt het in de praktijk vaak verduveld lastig te zijn.
    Mensen die hulp krijgen van de psychiatrie, ervaren daarin nog vaak een tekort. Dat roept bij hulpverleners nogal eens (professionele) frustratie op. Beider verwachtingen rond het hulpverleningsproces blijken dan ver uit elkaar te liggen en allerlei dilemma's staan aansluiting bij het herstelproces van de cliënt in de weg.
    In de workshop willen we interactief en vanuit reflectie op de persoonlijke inbreng van de hulpverlener, op zoek naar een oplossing voor die dilemma's.

    contactadres
    Kenniscentrum Phrenos
    mw. drs. D. Boertien
    programmacoördinator
    Herstel, Ervaringsdeskundigheid en Participatie
    Postbus 1203
    3500 BE Utrecht
    tel.:030-2931626
    e-m:dboertien apenstaart kcphrenos.nl


    9) Richtlijn Schizofrenie 2011:

    highlights – implementatie - vervolg
    ronde I

    • mw. drs. D. van Duin, wetenschappelijk medewerker
      Programma Zorginnovatie, Trimbos instituut
    • R. van Gool, Master ANP, verpleegkundig specialist GGz
      GGz inGeest, Haarlem
    • drs. M. van der Wal, programmacoördinator Innovatie en Implementatie, Kenniscentrum Phrenos

    De herziene multidisciplinaire richtlijn Schizofrenie komt eind 2011 uit.In de workshop wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste verschillen tussen de aanbevelingen in de oude en nieuwe richtlijn. Twee opvallende wijzigingen ten opzichte van de vorige richtlijn zijn de toevoeging van een hoofdstuk over verpleegkundige interventies en een hoofdstuk met praktische aanbevelingen voor implementatie.
    Op beide hoofdstukken zal dieper worden ingegaan. Ook zal worden stilgestaan bij de ontwikkeling en invoering van de levende richtlijn schizofrenie in de nabije toekomst.

    Programma:

    • Highlights
    • Implementatie
    • Verpleegkundige interventies
    • De levende richtlijn in de toekomst

    contactadres
    e-m: d.duin apenstaart trimbos.nl
    e-m: mwal apenstaart kcphrenos.nl
    e-m: r.vangool apenstaart ggzingeest.nl

    10) Samen tegen Stigma I:
    stand van zaken victimisatie en geweldonderzoek

    ronde I

    dr. C. Slooff, psychiater, Psychosecircuit, GGz Drenthe, Assen

    Stigma binnen de muren: de MICA-studie mw. drs. L. James-Gras, AIOS, Lentis, Groningen

    Onbekend, onbemind?
    Een vergelijkend onderzoek tussen stigmatiserende attitudes van GGz- professionals en huisartsen

    Achtergrond
    Hulpverleners in de (geestelijke) gezondheidszorg hebben niet noodzakelijkerwijs een positieve attitude ten opzichte van de psychiatrie en mensen met een psychiatrische aandoening. Onderzoek naar de attitude van de hulpverleners in de zorg is nodig (Slooff, 2010).

    Doel
    Een vergelijkend onderzoek naar de attitude van GGz-professionals en huisartsen over de psychiatrie en mensen met een psychiatrische aandoening.

    Methode
    De Nederlandse vertaling van de Mental Illness: Clinician’s Attitude Scale (MICA, Kassam & Thornicroft, 2010) wordt eenmalig afgenomen onder GGz medewerkers en huisartsen.
    De MICA is een zelfinvulvragenlijst bestaande uit 16 items (Likertschaal, score 1-6). Een totaalscore (range:16-96) kan worden berekend, waarbij een hogere score staat voor een negatievere attitude. Factoren die van invloed kunnen zijn op de attitude - zoals jaren werkervaring en persoonlijke ervaring - worden eveneens gemeten.

    Resultaten
    De GGz-professionals in deze pilot (n=67) werkten gemiddeld 16 jaar in de psychiatrie, de huisartsen (n=38) werkten gemiddeld minder dan 1 jaar in de psychiatrie.
    Van alle deelnemers is 86% persoonlijk betrokken bij iemand met een psychiatrische aandoening (GGz professional: 93% versus huisartsen: 74%). Van de GGz professionals heeft 40% zelf psychische problemen gehad tegenover 29% van de huisartsen, waarvoor een klein percentage (22% GGz professional versus 14% huisarts) is behandeld.
    De totaalscore op de MICA bij de GGz professionals is gemiddeld 34.1 (SD 5.8) tegenover een gemiddelde score van 42.9 (SD 6.1) bij de huisartsen.
    Deze score is significant verschillend (Mann –Whitney U, p= 0.00).

    Conclusie
    Huisartsen hebben een negatievere attitude ten opzichte van de psychiatrie en psychiatrisch patiënten dan de GGz-professional. Mogelijk speelt stigma een grotere rol bij hulpverleners die minder direct patiëntencontact hebben met de doelgroep.
    Daarnaast laat deze pilot-studie, in vergelijking met eerdere studies, een positieve attitude zien van GGz-professionals ten opzichte van de psychiatrie.

    Auteursgegevens
    Mw. drs. L.M. James-Gras, mw. dr. S. Castelein en dr. H. Knegtering
    Lentis Groningen, Rob Giel Onderzoekcentrum,
    Universitair Medisch Centrum Groningen

    Referenties
    Slooff, CJ en H.A.M. van Alphen (2010). Over de contraproductieve houding van de psychiatrie en de ggz bij stigmatisering. Tijdschrift voor Rehabilitatie.
    Kassam, A, et. al. Development and responsiveness of a scale to measure clinicians attitudes to people with mental illness (medical student version).
    Acta Psychiatrica Scandinavica 2010: 122: 153-161.

    contactadres
    Lentis
    mw. drs. L.M. James-Gras
    Postbus 86
    9700 AB Groningen
    tel.: 050-3682325
    e-m: l.james apenstaart lentis.nl

    Rapportage van geweldsincidenten in de GGz met behulp van routinematige
    uitkomstmonitoring (VICTROM): een prevalentiestudie met aandacht voor
    de validiteit van de screening en klinische implicaties
    mw. dr. J. van Busschbach, sr. onderzoeker,
    Rob Giel Onderzoekcentrum (RGOc), UMC Groningen

    Achtergrond
    In Nederland is geen onderzoekstraditie naar victimisatie doch analyse van bestaande datasets blijken 8% tot 20% van de patiënten problemen te ondervinden met veiligheid en geweld.
    Op dit moment vinden twee grote surveys plaats, waarbij clienten uit de langdurige zorg persoonlijk geïnterviewd worden. Hierbij worden echter opgenomen patiënten uitgesloten en is geen zicht op slachtofferschap onder degenen die niet aan het interview willen deelnemen.
    Vanuit de drie Noordelijke provincies is er daarom voor gekozen om te kijken of onderzoek naar victimisatie met behulp van ROM (Routinematige Outcome Monitoring) mogelijk is en of tot vergelijkbare resultaten wordt gekomen
    Doel
    Doel van de studie is om vast te stellen wat de prevalentie is van geweldsincidenten waarbij patiënten met een psychotische stoornis die zorg krijgen vanuit de GGz slachtoffer zijn.
    Een belangrijk onderdeel van de VICTROM studie is tevens de ontwikkeling van een instrument dat eenvoudig toegevoegd kan worden aan de ROM en dat ook in de klinische praktijk ingezet kan worden.
    Methode
    Aan de jaarlijkse ROM die in het kader van PHAMOUS (Pharmacotherapy therapy and outcome monitoring) bij alle patiënten met psychotische problematiek in de drie Noordelijke regio’s wordt afgenomen, is een kleine set van vragen toegevoegd. Als een extra bronnen van informatie worden interviews gehouden met een kleine groep cliënten.
    In deze interviews staat de vraag naar validiteit en betrouwbaarheid van de ROM-screening centraal.
    Resultaten
    Op dit moment zijn meer dan 500 patiënten gescreend, analyses van de gegevens vindt op dit moment plaats en ten tijde van de workshop zullen de eerste resultaten bekend zijn.
    Conclusie
    De studie laat zien dat er aan de implementatie van vragen naar victimisatie zowel voor- als nadelen kleven. In ieder geval is van belang dat binnen de klinische praktijk een inhoudelijke discussie wordt gevoerd over hoe patiënten die slachtoffer zijn geweest van geweld ondersteund dienen te worden en welke mogelijk preventieve interventies verder ontwikkeld zouden kunnen worden.

    contactadres
    UMCG/UCP
    CC72
    mw. dr. J.T. van Busschbach
    senior onderzoeker
    Postbus 30.001
    9700 RB Groningen
    tel.: 050-3612069
    e-m: j.t.van.busschbach apenstaart med.umcg.nl

    Samen Sterk tegen Stigma, een nationale actie
    mw. O. van de Lustgraaf, ambassadeur 'Samen Sterk tegen Stigma'

    Gaat het ons lukken om samen de strijd tegen het stigma aan te gaan?
    We hebben een belangrijke stap gezet, want in juni van dit jaar is een stichting in het leven geroepen om gezamenlijk het stigma te bestrijden met de werktitel ‘Samen Sterk tegen Stigma’.
    Hierin zitten GGZ Nederland, Fonds Psychische Gezondheid, de NVvP en het Landelijk Platform GGZ. Er wordt met vele andere organisaties samengewerkt waaronder met name Kenniscentrum Phrenos en het landelijk steunpunt kwartiermaken.
    Dit is een bijzondere mijlpaal in de geschiedenis aangezien er niet eerder zo een ambitieuze initiatiefgroep is geweest die zich specifiek richt op het bestrijden van het stigma van mensen met psychische aandoeningen.
    Dit in samenwerking met een van de belangrijkste organisaties in de GGZ.
    Wel heeft Pandora lang geleden een prachtige campagne ontwikkeld ‘ooit een normaal mens gezien, en beviel het’ maar heeft daarbij niet de krachten gebundeld van organisaties die zich ook bezig hielden met stigmabestrijding.
    De stichting is aangevuld met een programmamanager die het antistigmaprogramma verder zal door ontwikkelen. Er is een programma-structuur waarbij we projecten en een landelijk campagne (eind dit jaar / begin volgend jaar) op kunnen tuigen. Het blijft echter een bijzondere uitdaging om organisaties aan het programma te binden. En om alle betrokken partijen op een lijn te houden.
    Mankracht, geld, en doorzettingsvermogen zijn een van de belangrijkste ingrediënten. Gaat het ons lukken? Ik zal de laatste stand van zaken uit de doeken doen.

    contactadres
    e-m: o.vandelustgraaf apenstaart parnassiabavogroep.nl


    11) Klinische zorg verdient beter; High Care en Intensive Care
    ronde I

    F. Bovenberg, SPV
    adviseur en trainer GGz Consult, Vlaardingen
    drs. T. van Mierlo, psychiater
    directeur Impact, GGz Breburg, Breda

    High Care en Intensive Care, Onvrijwillige klinische zorg, moet en kan beter

    Een workshop rond het thema: Klinische teams. Feit is dat het slecht is gesteld met de huidige opname-afdelingen binnen de kort- en langdurende psychosezorg.
    Veel afdelingen hebben problemen met het bieden van kwaliteit. Familie wordt niet of nauwelijks betrokken bij de behandeling. De hygiëne laat te wensen over. Er wordt ondanks allerlei inspanningen nog teveel gesepareerd. Er is qua disciplines sprake van een monocultuur, veel verpleegkundigen.

    De klinische afdeling is geen aantrekkelijke werkplek. In tegenstelling tot de ambulante teams wordt er nauwelijks of niet geïnnoveerd. Er wordt weinig onderzoek gedaan. En er is vaak sprake van hardnekkige en verouderde culturen. De samenwerking met ACT- en of FACT-teams is nog niet optimaal. Met andere woorden, de klinische units binnen de keten van de langdurende zorg hebben dringend behoefte aan aandacht.

    GGZ Breburg is momenteel koploper in Nederland op dit terrein en heeft de ambitie om het aantal gesloten opname-afdelingen drastisch te verlagen, heeft inmiddels al een fors aantal separeerkamers gesloten en wil nog verder gaan in haar beleid om de opname-afdelingen te optimaliseren. Hierbij is veel aandacht voor de inbreng van de betrokken professionals, ervarings-deskundigen en familieleden.

    Het idee is om de veldnormen IC, de resultaten vanuit eerdere drang- en dwangprojecten en onze ervaringen met de kwaliteitsborging van FACT-teams om te zetten in een modelgetrouwheidschaal voor High Care/Intensive Care. Op deze manier wordt het mogelijk om klinische teams regionaal onderling te vergelijken en de teams de ruimte te geven om structureel aan de optimalisering van de kwaliteit en borging te blijven werken.

    Programma:
    In de workshop worden vernieuwende en innovatieve ideeën toegelicht en besproken met de deelnemers.

    Literatuur
    Intensive Care in de GGz; Op weg naar veldnormen
    GGz Nederland, maart 2010

    contactadres
    e-m: f.bovenberg apenstaart planet.nl
    e-m: t.vanmierlo apenstaart ggzbreburg.nl


    12) Motivationeel interviewen bij psychotische mensen
    ronde I

    drs. J. Tielens, psychiater
    Behandelcentrum Psychosen, MoleMann Mental Health, Amsterdam

    Het praten met mensen met een andere betekenisgeving en een andere realiteit dan wij kan behoorlijk lastig zijn. Zij zien de wereld vaak heel anders en menen meestal dat met hen niets aan de hand is. Nee, eerder met jou gaat het niet goed! En dan kunnen deze mensen dit ook nog extra lastig voor ons maken door snel geprikkeld te zijn, afwerend in contact of bizar in hun reacties.En toch moet er vaak wat mee. Een patiënt met een psychose vertoont vaak een forse terugval in functioneren en kan zelfs maatschappelijk geheel teloorgaan. Hij veroorzaakt soms gevaar en drijft de naaste omgeving tot wanhoop. En die naaste omgeving, of dit nu de politieagent, een familielid of de woningbouwcorporatie is wil dat U wat gaat doen! Zo kan dit niet langer! Een uiterst moeilijke opgaaf, zeker daar de patiënt eigenlijk nooit vindt dat hij ziek is of zelfs maar klachten heeft.

    Er zijn belangwekkende ontwikkelingen bij psychotische stoornissen en wel op het gebied van motiverende gesprekstechnieken. We weten dat bij psychosen er 2 bepalende factoren zijn voor uitval uit behandeling: ontbrekend ziekte-inzicht en een slechte behandelrelatie.

    Motivational Interviewing grijpt op deze beide punten aan. Met name de door prof. Xavier Amador ontwikkelde LEAP (Listen-Empathize-Agree-Partner)-methode grijpt in op dit ontbrekend ziekte-inzicht. In de workshop zal hier uitgebreid aandacht aan besteed worden.

    Programma:

    • De rol van ontbrekend ziekte-inzicht bij de behandeling van psychose
    • Het vormen van een adequaat verklaringsmodel van psychose
    • Het vormen van een adequaat model van behandeling zonder ziekte-inzicht te willen verbeteren.
    • Het gebruiken van de instrumenten van LEAP in het binden en engageren van de patiënt.

    contactadres
    MoleMann Mental Health
    Behandelcentrum Psychosen
    drs. J.A.E. Tielens
    psychiater
    1e Weteringplantsoen 6
    1017 SK Amsterdam
    tel.: 06-52367125
    e-m: info apenstaart tielensbemoeizorg.nl

    13) Psychose en trauma: durven te vragen en te reageren
    ronde I

    mw. drs. P. Bervoets, gz-psycholoog / cognitief gedragstherapeut VGCt,
    drs. D. van den Berg, gz-psycholoog i.o. tot specialist
    Divisie Volwassenen, Parnassia, Den Haag

    Uitvragen van trauma’s bij psychose is toch vooral een kwestie van durven en doen. In navolging van de workshop tijdens het Schizofreniecongres 2010 over dit thema gaan we daarom dit jaar in een interactieve workshop met name vaardigheden oefenen hoe trauma het beste uitgevraagd kan worden en hoe er gereageerd kan worden wanneer een patiënt vertelt over zijn of haar traumatische ervaringen.

    Programma:
    Rollenspelen aan de hand van vignetten. De oefeningen worden nabesproken.

    • Oefening uitvragen trauma’s
    • Nabespreking / discussie
    • Oefening reageren op onthulling trauma
    • Nabespreking / discussie
    • ‘Take-home messages’

    Na het volgen van de workshop zal de deelnemer:

    • Besef hebben van de grote rol die trauma’s spelen in het leven van mensen met psychosen
    • Trauma adequaat uit kunnen vragen bij patiënten met een psychotische stoornis.
    • Adequaat kunnen reageren op onthulling van traumatisering.
    • Weten hoe vervolgens te handelen.

    Eventuele literatuur:
    Read, J. (2006). ‘Breaking the Silence: Learning Why, When and How to Ask About Trauma, and How to Respond to Disclosures’
    In: W. Larkin, A. Morrison (eds.) Trauma and Psychosis, London: Brunner-Routledge.

    contactadres
    Parnassia
    EDIT
    drs. D. van den Berg
    Prinsegracht 63-65
    2512 EX Den Haag
    tel.: 06-20304356
    e-m: d.vandenberg apenstaart parnassia.nl

    14) Familie I
    ronde I

    Familiebegeleiding in de langdurende psychiatrie.
    Gewoon doen, maar hoe?

    H.W. Klaassen*, SPV
    Wijkteam Alkmaar Noord, GGz Noord-Holland Noord (NHN), Alkmaar

    Familiebegeleiding in de langdurende psychiatrie kan veel beter.
    In de te verschijnen Richtlijn Schizofrenie 2011 staan minstens 5 handvatten om familie meer te betrekken bij de behandeling. Maar hoe?

    • Hoe betrek je de familie in de begeleiding?
    • Hoe ga je nu om met privacyregels?
    • Hoe werk je vanuit het Triademodel?
    • Hoe besteedt je aandacht aan het herstelproces van de familie?

    Programma:
    Casuïstiek wordt besproken waarin nagegaan wordt hoe je als hulpverlener in de triade kan werken.

    * Ontving in 2011 de Kitty Verbeek-prijs voor een artikel over familiebegeleiding in de langdurende psychiatrie.

    contactadres
    GGZ NHN
    het vijfde wijkteam
    H.W. Klaassen, SPV
    Drechterwaard 100
    1824 DX Alkmaar
    tel.: 06-51815446
    e-m: hw.klaassen apenstaart ggz-nhn.nl

    De professionele FamilieErvaringsDeskundige (FED)
    R. van Kol, FED
    GGz Eindhoven
    mw. I. Potman, FED
    H.W. Klaassen, SPV
    Wijkteam Alkmaar Noord, GGz NHN, Alkmaar

    De inzet van ervaringsdeskundigheid is een populaire ontwikkeling binnen
    de langdurende zorg en van betekenis gebleken voor cliënten én hulpverleners.
    Een logisch vervolg is de Familie ErvaringsDeskundige (FED).
    In de workshop gaan we in op de potentiële meerwaarde van een FED in een multidisciplinair behandelteam. De aanwezigheid van een FED kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat er meer oog komt voor betrokken familieleden
    en hen een luisterend oor of ondersteuning bieden. Maar er is meer.

    Programma:

    • introductie
    • nut & noodzaak van inzet FED
    • onderzoek en reflectie praktijk van deelnemers
    • oefening vaardigheid en gedrag met rollenspel
    • discussie
    • afsluiting

    contactadres
    GGZ Noord-Holland Noord
    Wijkteam Alkmaar Noord
    mw. I. Potman
    FamilieErvaringsDeskundige
    Oude Hoeverweg 10
    1816 BT Alkmaar
    tel.: 06-12360538
    e-m: i.potman apenstaart ggz-nhn.nl

    15) 'Rehabilitatiebenaderingen van bewezen waarde:
    hoe gaan IRB en IPS goed samen in één zorgpraktijk?'

    ronde I

    Voorzitter: prof. dr. J. van Weeghel,
    directeur wetenschap, Kenniscentrum Phrenos


    Aan het werk met IPS: resultaten van SCION, een multi centerstudie
    dr. H. Michon, sr. wetenschappelijk medewerker, Trimbos instituut,
    lector Arbeidsontwikkeling, Fontys Hogescholen

    Aan het werk met IPS;
    Resultaten van een effectstudie en een brug naar de IRB,
    H. Michon1, J.T. van Busschbach2, M. van Vugt1 & Dennis Stant3, nov 2011

    Individuele Plaatsing en Steun (IPS) is een in de VS ontwikkeld model om mensen met aanhoudende psychiatrische problematiek te begeleiden bij het zoeken naar en het behouden van regulier betaald werk.
    De Scion*-studie had tot doel te bekijken of dit model ook in Nederland effectief kan zijn.
    IPS onderscheidt zich van andere manieren van arbeidsbegeleiding voor mensen uit genoemde groep door o.a.

    1. de focus op het snel zoeken naar regulier betaald werk,
    2. de langdurige ondersteuning - ook na het vinden van werk en
    3. de integratie van de arbeidsbegeleiding met de rest van de behandeling en begeleiding.

    De Scion studie is een gerandomiseerde gecontroleerde trial. Mensen konden eraan deelnemen als zij geen baan hadden; al langere tijd in zorg waren vanwege hun psychiatrische problemen; en begeleid wilden worden naar een betaalde baan. Op basis van loting werden deze deelnemers ingedeeld in de groep die arbeidsbegeleiding kreeg volgens het IPS-model, of de groep die arbeidsbegeleiding kreeg volgens een meer gangbare methode, met meer stapsgewijze trajecten en minder intensieve samenwerking met het behandelteam. De deelnemers werden 30 maanden gevolgd. Aan het begin en na zes, achttien en dertig maanden vonden interviews met hen plaats.

    151 mensen deden aan de studie mee, 70 van hen in de IPS-groep en 81 in de vergelijkingsgroep. In de IPS-groep vonden in de onderzoeksperiode significant meer mensen een gewone betaalde baan dan in de vergelijkingsgroep: 44% tegen 25%. In de IPS groep werd ook een groter aantal uren gewerkt: 422 tegen 237 uur.

    In de presentatie lichten we deze studie verder toe en gaan we in op meer specifieke bevindingen. Ook leggen we kort een verband met de Individuele Rehabilitatie Benadering (IRB). In zekere zin zijn de IRB en IPS namelijk goed met elkaar te combineren. Zo kunnen de in de IRB toegepaste gesprekstechnieken van waarde zijn voor het primaire proces in IPS en kan de IRB nuttig zijn om het hele rehabilitatieproces dat mensen doormaken te ondersteunen. Er zijn immers fasen in het leven van betrokken mensen, waarin IPS minder toepasselijk is, zoals een periode waarin men sterk twijfelt over concrete stappen om regulier werk te gaan zoeken of andere levensdomeinen voorrang geeft.

    Financiers scion – deel 1, met 18 maanden follow-up van deelnemers: UWV en bijdragen van de deelnemende onderzoeksinstellingen en praktijken.
    Financiers scion – deel2, voor de follow-up tot dertig maanden: ZonMw.

    Participanten behalve de auteurs: N. van Erp1, L. Aerts-Roorda2, H. Kroon1,
    J. van Weeghel4, D.Wiersma1 (onderzoekers-adviseurs), en o.a. coördinatoren
    van de participerende GGZ-instellingen: A. Bennink, J. Taabe, F. Heerema, en D. van de Meer van resp. Dimence, GGzE, Pameijer icm Bavo-Europoort (Parnassia), en UCP-Lentis.

    1: Trimbos-instituut, 2: Universitair Medisch Centrum Groningen - Rob Giel Onderzoekcentrum; 3: Universitair Medisch Centrum Groningen; 4: Kenniscentrum Phrenos.

    * Scion: Study on the Cost effectiveness of IPS regarding Open employment in the Netherlands.

    contactadres
    Trimbos-instituut
    dr. H. Michon
    Postbus 725
    3500 AS Utrecht
    tel. 030-2959217
    e-m: hmichon apenstaart trimbos.nl

    IRB: resultaten multisite rct en de ontwikkeling van een nieuwe modeltrouwschaal
    mw. dr. W. Swildens, sr. onderzoeker, Altrecht GGz, Utrecht

    De Individuele Rehabilitatiebenadering (IRB) is erop gericht om mensen met langdurige psychiatrische aandoeningen (EPA) te helpen bij het verkennen, kiezen, verkrijgen en behouden van rehabilitatiedoelen op het gebied van werk, leren, sociale contacten en wonen.

    De effecten van de IRB zijn onderzocht in een gerandomiseerde klinische trial (Swildens, Van Busschbach, Michon, e.a. 2008, 2010). Uit het onderzoek kwam naar voren dat de IRB meer effectief is dan gebruikelijke zorg bij het werken aan persoonlijke rehabilitatiedoelen en dat de benadering daarnaast ook sociale participatie (in werk, vrijwilligerswerk, scholing) bevordert.

    De resultaten van het onderzoek impliceren dat het zinvol is de IRB toe te passen voor de groep mensen met langdurige psychiatrische problemen. Onderzoek en praktijkervaringen wijzen echter uit dat er een kloof is tussen evidentie en praktijk. Het toepassen van nieuwe methoden zakt vaak weg in de hectiek van de dagelijkse praktijk. Dit betekent dat veel cliënten niet de juiste zorg ontvangen. Veel in de IRB getrainde hulpverleners blijken op den duur de benadering niet of onvoldoende te gebruiken.

    De ontwikkeling van een zogenaamd ‘ fidelity’- instrument, een instrument waarmee beoordeeld kan worden hoe modelgetrouw er gewerkt wordt, kan hierin verbetering brengen. KIM – Kijk op IRB Modelgetrouwheid - is de naam van het nieuwe instrument waarmee de modelgetrouwheid van een lopend of afgerond IRB traject kan worden beoordeeld.Het instrument is ontwikkeld op basis van twee al bestaande instrumenten (Luyten, 2004; Van Wel & Marquenie, 2009) en wordt vanaf 2011 getoetst in de praktijk.
    In de presentatie lichten we eerst de uitkomsten van de eerdere gerando-miseerde trial naar de IRB toe en gaan we vervolgens in op de inhoud van het instrument KIM en hoe dit getoetst gaat worden.

    Auteurs: dr. W. Swildens1, dr. J.T. van Busschbach2, dr. T. van Wel1, (november 2011)

    Financiers: ZONMw

    Participanten behalve de auteurs: N. van Nieuwenhuizen1, A. Zijlstra3,
    J. Posthumus3 (IRB rehabilitatie-experts), prof. dr. J. van Weeghel4,
    M. Farkas5 6, dr. L. Korevaar5

    1 Altrecht Willem Arntsz, 2 Universitair Medisch Centrum Groningen - Rob Giel Onderzoekcentrum,
    3 Promens care, 4 Tranzo, Universiteit Tilburg, 5 Hanzehogeschool, lectoraat Rehabilitatie ,
    6 Boston University Psychiatric Rehabilitation Center

    Referenties

    Swildens W, Busschbach JT van, Michon H, Kroon H, Koeter M, Wiersma D, Van Os J.
    Effectively working on rehabilitation goals: 24-month outcome of a randomized controlled trial of the Boston Psychiatric Rehabilitation approach. The Canadian Journal of Psychiatry, vol 56, no 12, december 2011.
    Luyten E (2004). IRB-Modelgetrouwheidsvragenlijst. Assen/Rotterdam, the Netherlands, St. Rehabilitatie ’92.
    Wel T van, Marquenie F (2009).Vrijblijvendheid doorbroken. Individuele beoordelingscijfers voor hulpverleners. MGv , 64, 3, 156-166.

    Contactadres
    Altrecht Willem Arntsz
    mw. dr. W. Swildens
    Lange Nieuwstraat 119
    3512 PG Utrecht
    e-m: w.swildens apenstaart altrecht.nl

    Hoe gaan IRB en IPS goed samen in één (F)ACT- of VIP-team?
    dr. L. Korevaar, lector Rehabilitatie, Hanzehogeschool, Groningen,
    directeur St. Rehabilitatie '92, Utrecht

    Hoe gaan IRB en IPS goed samen in één (F)ACT- of VIP-team?
    In de praktijk worden IRB en IPS vaak tegenover elkaar gezet als twee tegengestelde rehabilitatiebenaderingen en verdedigen de voorstanders vol vuur de voordelen van hun benadering. Voorbij wordt gegaan aan het feit dat het om twee verschillende rehabilitatievormen gaat die een verschillende oorsprong hebben, verschillende invalshoeken, een verschillende opzet en verschillende werkwijzen, die niet of nauwelijks met elkaar te vergelijken zijn (of het moet zijn als appels met peren, beide zijn fruit).
    Overigens, twee benaderingen die wel prima te integrereren zijn en die geïntegreerd een meerwaarde kunnen hebben als om het betaald werk gaat. Het wekt verbazing dat dit (wereldwijd) nog niet is gebeurd.
    Twee rehabilitatievormen die je dus niet tegenover elkaar, maar aanvullend aan elkaar moet zien. In deze presentatie worden beide rehabilitatievormen kort toegelicht en wordt uitgezet hoe IRB en IPS goed geïntegreerd aangeboden kunnen worden aan cliënten van een (F)ACT- of VIP-team die betaald werken zoeken.

    contactadres
    Hanzehogeschool Groningen
    dr. E.L. Korevaar
    Lector Rehabilitatie
    Zernikeplein 23 (kamer A0.07)
    9747 AS Groningen
    tel.: 050-5953284/3377
    e-m: e.l.korevaar apenstaart pl.hanze.nl

    16) Praktische problemen bij de behandeling met Clozapine
    ronde I

    Clozapine Plus Werkgroep
    drs. D. van Dijk, psychiater
    Afd. SMI, GGz Friesland, Franeker
    drs. J. Bogers, psychiater, A-opleider
    GGZ Haagstreek, Rivierduinen, Leidschendam
    dr. D. Cohen, psychiater
    dr. P. Schulte, psychiater, A-opleider
    mw. J. Pijpers, verpleegkundige
    GGz NHN, Heiloo

    Clozapine heeft een unieke werking bij met name therapieresistente schizofrenie. Anderzijds kent het veel bijwerkingen en specifieke risico’s. Specifieke kennis hiervan is nodig. De verpleegkundige kan bij de behandeling en begeleiding van een patiënt die clozapine gebruikt of hierop ingesteld wordt een belangrijke rol spelen.

    In de workshop wordt minder gefocust op metabole bijwerkingen, in de veronderstelling dat dit inmiddels goed bekend is, maar meer op verhoging medicatietrouw en dwangbehandeling.

    Daarnaast leert de ervaring van het voorjaarscongres NVvP, dat er jarenlang nog steeds weer nieuwe deelnemers zijn, die nog niet voldoende geschoold zijn in het gebruik van clozapine. Daar clozapine het "laatste redmiddel' is lijkt ons kennis bij een brede groep van behandelaars zeer belangrijk.

    Programma:
    Aan de hand van een casus worden in een interactieve workshop indicaties, risico’s en bijwerkingen van clozapine besproken.
    Hierbij komt ook de rol van de verpleegkundige bij de behandeling met clozapine aan de orde.

    contactadres
    GGZ-NHN
    dr. P.J.F. Schulte
    Oude Hoeverweg 10
    1816 BT Alkmaar
    tel.: 072-5357380
    e-m: r.schulte apenstaart ggz-nhn.nl

    17) Soteria
    ronde I

    Moderator: dr. Ph. Delespaul, klinisch psycholoog, Mondriaan zorggroep Heerlen/Maastricht

    Waarachtig of waanachtig in contact
    H. Deibert
    mw. H. van Helsdingen
    J. Domen
    Stichting Soteria Nederland

    Geoefend wordt met de centrale rol van het intermenselijke contact tussen cliënt en hulpverlener op basis van het Soteria-concept.

    Programma:

    • Korte inleiding Soteria-concept
    • Oefeningen afgewisseld met zelfevaluaties
    • Samenvattende terugblik


    contactadres
    Stichting Soteria Nederland
    J.M.J. Domen
    coördinator onderzoek en opleiding
    Expertisecentrum SoteriaNL
    Loverendale 25
    7207 PG Zutphen
    tel.: 06 – 23633537
    e-m: mariodomen apenstaart soterianederland.nl

    Soteria in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis
    J. van Blarikom, gz-psycholoog
    T. Matthys, psychiater
    T. van den Boom, teamleider
    Emergis, Goes

    Sinds 1984 bestaat in Bern, Zwitserland een Soteriahuis waar mensen met een (eerste) psychose worden behandeld en begeleid in een huiselijke sfeer en een intensieve persoonlijke begeleiding.Dit bijzondere initiatief heeft nu ook in Nederland navolging gevonden in de context van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis. Begin 2011 heeft Emergis, Zeeland, een kleinschalige psychose-afdeling gerealiseerd op basis van de Soteria-principes. Uitleg wordt gegeven hoe een dergelijke afdeling gerealiseerd kan worden, wat de dagelijkse gang van zaken is en wat de inhoud van het behandelprogramma is.

    Programma:

    • Uitleg over de principes van Soteria
    • Realisatie van de afdeling binnen de context van een algemeen psychiatrisch ziekenhuis
    • Organisatie van de zorg
    • Inhoud van het behandelprogramma
    • Ervaringen vanuit het perspectief van de cliënt
    • Eerste resultaten

    contactadres
    Emergis
    Afdeling 23
    drs. J. van Blarikom
    gz-psycholoog
    Postbus 253
    4460 AR Goes
    tel.: 06-22479258
    e-m: vanblarikom apenstaart emergis.nl



    18) IPS-netwerken en werkgevers

    ronde I

    mw. D. Kamstra, SPV, IPS-trajectbegeleider,
    Vroege Interventie Psychose-team (VIP), AMC, Amsterdam
    F. Biernat, FBI Design, Haarlem
    E. Rentenaar, ABN AMRO Bank, Amsterdam Z.-O.

    IPS–netwerken en werkgevers: hoe doe je dat en wat levert het werkgevers op?
    De positie van werkgevers in IPS-trajecten wordt aangekaart. Wat hebben zij nodig op de werkvloer en hoe regel je dit als IPS- trajectbegeleider.
    De uitkomsten van een praktijkonderzoek onder leden van een BNI-netwerk worden gepresenteerd.

    Programma:

    • Inleiding do’s en don'ts
    • Rollenspel
    • Beantwoording vragen

    Contactadres
    AMC
    VIP Amsterdam
    mw. D.G. Kamstra
    IPS-trajectbegeleider
    Obiplein 6
    1094 RB Amsterdam
    tel.:06 - 20845599
    e-m:d.g.kamstra apenstaart amc.uva.nl

    19) Vroege herkenning van psychose, waar kijken we naar?
    ronde I

    drs. S. van Amstel, psycholoog,
    Early Detection Intervention Team (EDIT) Rivierduinen
    mw. S. Limburg, SPV i.o.
    EDIT Rivierduinen

    Hoe denken we anno 2011 over de eerste psychose? Is het voor ons zorgverleners nog steeds een ‘dementia praecox' met bijbehorend pessimisme of is er een kentering te zien in het denken?
    In de workshop worden de deelnemers getraind in het diagnosticeren ‘nieuwe stijl’. Zij zullen kennis maken met het continuüm van de psychose. Dit is een term uit de medische wereld, die zo veel wil zeggen als ‘het stadiëren’ van een ziekteproces.

    In de psychosezorg anno nu lijkt deze manier van denken ook steeds populairder te worden. Steeds vaker wordt er vanuit de stepped care-gedachte langer gewacht met het stellen van een diagnose en voorschrijven van een antipsychoticum.
    Wanneer spreek je van een psychose en wanneer (nog) niet?
    Bij een psychose is medicatie geïndiceerd en nodig, maar hoe zit het daarvoor?
    Welke vragen kun je stellen om dat onderscheid te maken? Welke interventies zijn passend bij de verschillende fasen?
    In de workshop leren de deelnemers stadiëren en adequaat interveniëren in de eerste fasen van het ziekteproces.

    Programma:
    Introductie: uitleg programma

    • Inleiding (filmfragment): Een eerste psychose anno 2011, wat denken we?
    • Inventarisatie van de heersende opvattingen en visies over eerste psychose naar aanleiding van filmfragment van jongere met milde psychotische klachten en een hulpvraag.

    Welke benadering zou passend zijn? Welke interventies lijken passend en welke moet je vermijden? Welke vragen roept deze casus op?

    • Uitleg over ‘denken nieuwe stijl’ waarbij de psychotische ontwikkeling op een continuüm wordt geplaatst. De verschillende fasen van het ontwikkelproces worden getoond. Diagnostische hulpmiddelen (CAARMS-interview) en interventies worden besproken.
    • Oefening: In kleine groepen aan de hand van een vignet oefenen met het stellen van het gedetailleerd uitvragen van psychotische klachten (o.a. met motivational interviewing).
    • Nabespreking oefening.

    Afsluiting: Samenvatten van het besprokene en ruimte voor discussie en vragen. Aandenken wordt uitgedeeld.

    Contactadres
    Rivierduinen
    Kinderen & Jeugd
    EDIT
    mw. S. Limburg
    Postbus 2211
    2301 CE Leiden
    tel.: 06-11304393 / 071-8908117
    e-m: s.limburg apenstaart ggzleiden.nl

    20) Samen keuzes maken: duel of duet?
    ronde I

    Voorzitter: mw. dr. N. Boonstra, gezondheidswetenschapper,
    GGz Friesland, Leeuwarden
    mw. drs. L. van der Krieke, psycholoog
    RGOc, UMC Groningen
    mw. M. de Wal, verpleegkundige
    GGz Friesland, Leeuwarden
    T. Kreuger, ervaringsdeskundige
    coördinator Samen Keuzes Maken
    R. van Gool, Master ANP, verpleegkundig specialist GGz
    GGz inGeest, Haarlem

    GGz Friesland/RGOc
    Shared Decision Making (SDM) vormt de basis voor een goede behandelrelatie tussen hulpverlener en cliënt. SDM kan worden omschreven als een proces van gezamenlijke besluitvorming waarin hulpverlener en cliënt open met elkaar communiceren en samen de optimale behandelsituatie vormgeven op basis van beider ervaringen, persoonlijke waarden en deskundigheid.

    In de geestelijke gezondheidszorg is SDM nog geen dagelijkse praktijk. Uit onderzoek blijkt dat hulpverleners de neiging hebben het aandeel van de cliënt in besluitvormingsprocessen te overschatten en soms teveel uitgaan van wat zij denken dat goed is voor hun cliënt. Daarnaast blijkt dat de mogelijkheid van cliënten om input te leveren in besluitvorming beperkt wordt door een gebrekkige informatievoorziening. Veel cliënten zijn bijvoorbeeld niet goed op de hoogte van het behandelaanbod van hun GGZ-organisatie.

    In juni is bij GGZ Friesland een experiment gestart om te onderzoeken of SDM in de behandelplanbespreking bevorderd kan worden door cliënten beter te informeren over het behandelaanbod van GGZ Friesland. In het kader van dit experiment wordt cliënten de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van een website waarop ze

    1. hun zorgbehoeften in kaart kunnen brengen,
    2. informatie kunnen vinden over de verschillende behandelmodules die aangeboden worden en
    3. hun persoonlijke voorkeur voor behandelmodules kunnen opgeven. De voorkeuren die de cliënt opgeeft staan vervolgens centraal in de bespreking tussen hulpverlener en cliënt rondom het vaststellen van het behandelplan.

    GGZ inGeest

    SDM is een methode die in de Verenigde Staten is ontwikkeld en inmiddels is vertaald naar een Nederlands programma: SamenKeuzesMaken.nl
    SamenKeuzesMaken.nl is een webapplicatie waarmee cliënt en behandelaar gezamenlijk het behandelproces vorm geven.
    De kern van het programma samen keuzes maken is dat cliënten op deze manier ondersteund worden bij het zelf de regie houden over zijn of haar behandeling. Het doel is het verbeteren van de zorgkwaliteit en het optimaliseren van het besluitvormingsproces.

    Het succes van de behandeling wordt vergroot door SamenKeuzesMaken (SKM) omdat de cliënt en de behandelaar tot een gezamenlijke behandelbeslissing komen. Door SKM kan een cliënt zelf aangeven of deze zich gezond voelt, welke doelen en dromen hij heeft en of de cliënt nare bijwerkingen van de medicatie ervaart. De cliënt noemt wat hij belangrijk vind om te bespreken op het gebied van zijn gezondheid en behandeling.
    SDM wordt al langer toegepast binnen de somatische gezondheidszorg zoals bijvoorbeeld bij COPD of een dwarslaesie.

    Voorafgaand aan een gesprek met de behandelaar wordt er een vragenlijst op de computer ingevuld, zodat de cliënt en de behandelaar de voortgang kunnen monitoren. Hij krijgt hierbij ondersteuning van een ervaringswerker.
    Goede zorg wordt door zowel de cliënt en behandelaar een gezamenlijk onderwerp in de dialoog over zijn behandeling.

    Programma:
    Ingegaan wordt op de ervaringen met beide projecten en aan de hand van praktijkvoorbeelden wordt gediscussieerd met de deelnemers over de mate waarin het mogelijk is om samen keuzes te maken.

    contactadres
    GGZ Friesland
    afd. WO&O
    mw.dr. N. Boonstra
    onderzoeker, opleider GGZ-VS
    Sixmastraat 2
    8901 BS Leeuwarden
    tel.: 06-22678011
    e-m: nynke.boonstra apenstaart ggzfriesland.nl

    21) Zorgprogrammering op basis van stagering
    ronde II

    mw. dr. N. Boonstra, gezondheidswetenschapper
    onderzoeker Wetenschappelijk Onderzoek en Opleiding (WO & O), GGz Friesland, Leeuwarden
    drs. D. van Dijk, psychiater
    afd. SMI, GGz Friesland, Franeker

    De laatste jaren heeft vanuit het psychoseonderzoek het paradigma van vroegherkenning van psychosen en de voorstadia een grote vlucht genomen. Hierbij wordt preventie van deze groep aandoeningen, die nog altijd met een sombere prognose geassocieerd is, voor het eerst een in beginsel bereikbaar perspectief. Daarbij gaat het zowel om preventie en uitstel van de eerste psychotische uitbraak als om verbetering van de functionele uitkomst daarna. Deze paradigmashift vindt geleidelijk ook ingang in de domeinen van andere ernstige psychiatrische aandoeningen, waaronder de stemmingsstoornissen. Het ontstaan van psychiatrische aandoeningen wordt hierbij gezien als resultante van de uitwerking van allerlei risicofactoren langs risicotrajecten
    die meerdere uitkomsten kunnen hebben, en die mogelijk beïnvloedbaar zijn. Net als in de oncologie kunnen we de verschillende aandoeningen gaan stageren. Bij psychosen kan achtereenvolgens worden onderscheiden het stadium van verhoogd risico, het stadium van de eerste psychose, een stabilisatie-stadium gekenmerkt door terugval of symptomatische en functionele remissie en klinisch herstel en een stadium van volledig herstel cq van herstel door terugkeer naar een zinvol leven met beperkingen (Rehabilitatie-stadium).
    Daarnaast is er het perspectief van de profilering: het vaststellen van bepaalde neurobiologische kenmerken die onder bepaalde omstandigheden gunstig of ongunstig kunnen uitpakken. Hoewel we nog aan het begin staan van deze ontwikkelingen, is het nu al zinvol om een globale stagering te hanteren als leidraad bij het vaststellen van de meest effectieve interventies
    in een individueel geval, en het evalueren van het effect daarvan al dan niet in het kader van wetenschappelijk onderzoek. De rurale kenmerken van de provincie hebben in Friesland grote invloed op de organisatie van zorg.

    Programma:
    Tijdens de workshop wordt ingegaan op zorgprogrammering aan de hand van genoemde stadia. Daarnaast wordt de organisatiestructuur gepresenteerd die nodig is om deze zorg te kunnen leveren waarbij de discussie ACT – FACT een belangrijke rol speelt.

    Contactadres
    GGZ Friesland
    afd. WO&O

    mw.dr. N. Boonstra
    onderzoeker, opleider GGZ-VS
    Sixmastraat 2
    8901 BS Leeuwarden
    tel.: 06-22678011
    e-m: nynke.boonstra apenstaart ggzfriesland.nl

    22) Mindfulness bij herstel van een eerste psychose
    ronde II

    mw. dr. C. Meijer, gz-psycholoog i.o.
    mw. R. van der Valk MSc, GGz-verpleegkundige, gedragswetenschapper
    Zorglijn Vroege Psychose, AMC Psychiatrie, Amsterdam

    Aandachttraining (‘mindfulness’) is bewezen effectief bij verschillende ziektes / klachten.
    Het beoefenen van meditatie is echter omstreden bij mensen die gevoelig zijn voor het krijgen van een psychose vanwege de kans op het ontstaan of verhevigen van psychotische ervaringen.
    Toch verschijnen er steeds meer bewijzen dat, met een aangepaste training, mensen die net een psychose hebben doorgemaakt kunnen profiteren van een mindfulness based therapie.

    In de workshop komen zowel de theorie, onderzoeksresultaten en onze ervaringen bij het geven van aandachttraining aan deze mensen aan bod.De do’s and don’ts worden besproken en enkele oefeningen worden gedemonstreerd.

    Programma:

    • Inleiding
    • Korte oefeningen
    • vervolg uitleg
    • beantwoording vragen

    contactadres
    AMC Zorglijn Vroege Psychose
    mw. R. van der Valk MSc
    Meibergdreef 5 PA01-141
    1105 AZ Amsterdam
    tel.: 06-51763494
    e-m: R.vanderValk apenstaart amc.uva.nl

    23) Psychosezorg: preventief=effectief
    ronde II

    B. Stavenuiter, directeur
    H. Kleijwegt
    Ypsilon, Rotterdam

    Na alle bezuinigingen kwam vanuit de zorg veel kritiek op het ‘visieloze’ beleid van het kabinet. Maar als minister Schippers één boodschap duidelijk heeft weten over te brengen, dan is het wel deze: de zorg moet dichter bij huis en het is aan de sector om daarvoor te zorgen. En ze heeft gelijk, want de psychosezorg kan beter en ook dichter bij huis. Maar hoe doen we dat?

    Als opmaat naar een groot landelijk project ‘Vroeg begonnen is een toekomst gewonnen’ kijken we in de workshop naar een inspirerend voorbeeld uit Groot-Brittannië. Het projectplan had tal van ambitieuze doelstellingen. Inmiddels is het project afgerond, met ontzagwekkende resultaten: bijna alle doelen blijken daadwerkelijk te zijn waargemaakt. Hun aanbod om te helpen ligt er. Durven wij het aan om in Nederland net zulke ambities te gaan waarmaken?

    contactadres
    Ypsilon
    B.Stavenuiter
    directeur
    Postbus 715
    3000 AS Rotterdam
    tel.: 088-0002120
    e-m: bert apenstaart ypsilon.org

    24)
    Richtlijn Schizofrenie 2011: therapieresistentie
    ronde II

    Negatieve en depressieve symptomen
    dr. H. Knegtering, psychiater, waarnemend A-opleider
    hoofd Lentis Research, Lentis, Groningen

    contactadres
    e-m:h.knegtering apenstaart lentis.nl

    Voorbij Clozapine: is betere farmacologische zorg mogelijk?
    drs. J. Bogers, psychiater, A-opleider
    GGZ Haagstreek, Rivierduinen, Leidschendam

    Over de medicamenteuze behandeling van schizofrenie bestaat een redelijke consensus. De nieuwe richtlijn is wel aangepast aan de meest recente inzichten. Het onderscheid tussen oude en nieuwe antipsychotica heeft geen dominante plek meer.
    Wat geldig blijft is dat clozapine een bijzonder antipsychoticum is, met een bijzondere plek in het behandelalgoritme. Voor sommige patiënten geldt het als laatste redmiddel. De behandeling wordt complex als patiënten niet voldoende antipsychotisch reageren op deze stappen, als clozapine niet voldoende antipsychotisch werkt of als clozapine gecontraïndiceerd is.
    Wat is er nog te overwegen voor deze (therapie-resistente) patiënten?
    Wat te doen als de evidence based behandelingen onvoldoende resultaat hebben? Aan de hand van theorie en casuïstiek bespreken we de mogelijkheden van farmacotherapie bij schizofrenie, in het bijzonder farmacotherapie bij clozapine-resistentie.

    contactadres
    Rivierduinen
    drs. J. Bogers
    Veursestraatweg 185
    2264EG Leidschendam
    tel.: 070-4441122
    e-m: j.bogers apenstaart ggzhaagstreek.nl

    25) E-Health voor EPA
    ronde II

    mw. P. Tamis, verpleegkundige
    onderzoeker/projectleider, GGz NHN, Heiloo
    E. Velders, programmamanager
    GGz inGeest - Parnassia Bavo Groep - GGz NHN

    GGZ NHN, GGZ inGeest en Parnassia Bavo Groep willen de zorg voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) innoveren.
    Zij sloten daartoe een samenwerkingsovereenkomst tot eind 2013.
    Doel betreft betere kwaliteit van zorg tegen efficiëntere inzet van middelen. eHealth is de richting. Onderdelen betreffen: Zorg op afstand, Inzet van sociale media, verleiden tot werk en online behandelen.
    Een Maatschappelijke Business Case (MBC) en onderzoek wordt ingezet om deze innovatie te rechtvaardigen.

    Programma:

    • Inleiding project
    • Toelichten projectplan en huidige stand van zaken
    • Dialoog
    • Samen met de deelnemers in gesprek over het project

    Ter verduidelijking zal een proefopstelling ‘Zorg op afstand’ worden opgesteld.

    contactadres
    E.J.O. Velders
    Ingeest, PBG en NHN
    projectbureau
    programma manager
    tel.: 06-10536654
    e-m: eddo.velders apenstaart gmail.com

    26) Praten over stemmen door verpleegkundigen
    ronde II

    mw. N. Hof, SPV & CGW i.o.
    Wijkteam Enkhuizen,
    mw. M. Beerepoot, SPV & CGW i.o.
    Wijkteam Hoorn-Kersenboogerd
    mw. drs. H. Smidtman, klinisch psycholoog/cognitief gedragstherapeut VGCt,
    langdurende zorg wijkteam Den Helder-Texel
    GGz NHN

    Ongeveer een derde van de mensen met schizofrenie blijft ondanks adequate medicamenteuze behandeling stemmen horen. Cognitieve gedragstherapie (CGT) is ook bij stemmenhoorders een effectieve interventie gebleken om de hinder die zij hiervan ondervinden te verminderen. In de concept herziening van de Multidisciplinaire Richtlijn Schizofrenie (versie 2010) wordt aanbevolen ook cognitief gedragstherapeutisch werkers (verpleegkundigen) onderdelen van de behandeling uit te laten voeren onder supervisie van een cognitief gedragstherapeut.

    Ook als het niet gaat om een gestructureerde CGT lijkt het ons belangrijk dat verpleegkundigen in staat zijn op een betekenisvolle manier in gesprek te raken over de stemmen.
    In de workshop wordt geoefend met het uitvragen van stemmen en de persoonlijke betekenis ervan voor de patiënt.

    Programma:

    • Introductie
    • Videodemonstratie
    • Oefening in subgroepen
    • Plenaire terugkoppeling

    Contactadres
    GGZ-NHN
    wijkteam Enkhuizen
    mw. N.M.A. Hof
    SPV- CGwer i.o.
    Vijzelstraat 24
    1601 NK Enkhuizen
    tel.:06-13705508
    e-m:n.hof apenstaart ggz-nhn.nl

    27) IMR: iets nieuws binnen de chronische psychiatrie?
    ronde II

    mw. A. Dijkstra, SPV
    mw. A. Berkers, SPV
    IMR Oost, Bavo Europoort, Rotterdam

    IMR staat voor Illness Management & Recovery. Het is een training waarin mensen met langdurige psychiatrische klachten hun eigen hersteldoelen maken en m.b.v. theorie proberen stappen te zetten in hun herstelproces. Hierbij wordt gebruik gemaakt van cognitieve, educatieve en motiverende technieken.

    De training is in de V.S. ontwikkeld en vertaald naar de Nederlandse situatie.
    De training bestaat uit 11 modulen, waarin alle levensgebieden aan bod komen. Het vernieuwende aan de training is dat het doel van de deelnemer centraal staat, de deelnemer bepaalt zelf wat herstel voor hem/haar betekent.
    In de training wordt theorie besproken, worden ervaringen gedeeld en vaardigheden geoefend om de gestelde doelen te bereiken.
    Binnen Bavo Europoort draaien nu diverse trainingen en zowel de deelnemers als trainers en behandelaren zien het als een aanvulling op de behandeling.

    Programma:

    • Een korte theoretische inleiding
    • Onderzoeksresultaten
    • Module 1 Herstelstrategieën: Wat wordt onder herstel verstaan,
    • hoe formuleer je je eigen definitie van herstel, welke strategieën kun je gebruiken, waarom is eigen doelen stellen zo belangrijk.
    • De eerste module wordt op interactieve wijze met de deelnemers doorgenomen.
    • DVD bekijken over het bespreken van een doel, hierna oefenen om een hersteldoel uit te werken.
    • Korte evaluatie

    contactadres
    Bavo Europoort
    IMR Oost
    mw. A. Berkers
    Oudedijk 76
    3062 AG Rotterdam
    tel.:010-4215800

    e-m:a.berkers apenstaart parnassiabavogroep.nl

    28) Presentiebenadering als reflectiemethode
    ronde II

    mw. drs. I. Siteur, psychiater, medisch manager ( tot 1-10-11)
    A. Belo, verpleegkundig specialist i.o.
    ABC, Altrecht GGz, Utrecht

    Hulpverleners hebben een complexe taak, zeker in de psychosezorg.Zij moeten volgens de state of the art werken. De toegepaste technieken moeten van hoge kwaliteit zijn. Daarnaast is het belangrijk dat de patiënt zich gehoord voelt, en diens vraag sturend is.De behandeling wordt aangeboden door multidisciplinaire teams. Hulpverleners moeten onderling afstemmen. Van hen wordt gevraagd initiatief te nemen, maar ook door andere uitgezette behandellijnen te volgen.

    Bovenstaand takenpakket van hulpverlener zorgt voor een scala aan spanningsvelden.

    Er is weinig onderzoek gedaan naar manieren om teams te ondersteunen deze spanningsvelden met open vizier te betreden.
    Sinds januari 2011 is bij afdeling ABC (Altrecht) ervaring opgedaan met de presentiebenadering als reflectie methode. De balans tussen handelen en luisteren, tussen sturen en beschikbaar zijn, wordt in kaart gebracht. Daarna kunnen besluiten tot bijsturing genomen worden.

    In de workshop wordt de visie van de presentiebenadering uitgelegd en worden ervaringen van ABC tot nu toe gepresenteerd.
    Ter discussie wordt voorgelegd hoe we het effect van deze keuze evalueren. Tevens wordt aan de hand van casuistiek geoefend met deze manier van reflecteren.

    literatuur:
    zie: http://www.presentie.nl
    Adriaansen, M.,& Pasch, T. van de (2008)
    Presentie vraagt moed
    Tijdschrift voor Verpleegkundigen, nr.6, p.24-26
    Baart, A. en Grypdonck, M. (2008) Verpleegkunde en Presentie /druk 1

    contactadres
    Altrecht GGz
    ABC, afdeling voor jongeren met een psychotische kwetsbaarheid
    A. Belo
    ABC-straat 8
    3512 PX Utrecht
    tel.:030-2399070
    e-m:a.belo apenstaart altrecht.nl

    29) Leefstijlinterventies
    ronde II
    A - Criteria voor effectieve leefstijlprogramma’s
    mw. drs. R. Buit, neuropsycholoog,
    onderzoekscoördinator, GGz Noord-Drenthe

    Resultaten van een literatuurstudie die zij heeft verricht naar de effectieve ingrediënten uit leefstijlinterventies bij mensen met een ernstige psychiatrische stoornis.

    contactadres
    e-m: renske.buit apenstaart gmail.com

    A - ELIPS, leefstijlinterventies bij langdurig opgenomen patiënten
    Mw. dr. F. Jorg, sr. wetenschappelijk onderzoeker,
    Projectleider ELIPS, GGz Friesland

    Deze presentatie laat de opzet en tussentijdse resultaten zien van ELIPS, een cluster gerandomiseerde trial naar de effectiviteit van een leefstijl-interventie bij patiënten met een ernstige psychiatrische stoornis die beschermd of klinisch wonen. Het gaat om een gecombineerde voedings- en beweeginterventie die er vooral op gericht is de (obesogene) omgeving van patienten te veranderen zodat een gezonde keuze een makkelijke(re) keuze wordt.

    contactadres
    e-m: frederike.jorg apenstaart ggzfriesland.nl


    A - Fitness-therapie vermindert symptomen en verbetert fitheid
    drs. T. Scheewe, psychomotorisch therapeut,
    Zorglijn Psychotische Stoornissen, UMC Utrecht

    Getoond wordt een selectie van de resultaten van deze gerandomiseerde interventie studie naar het effect van fitness bij patiënten met schizofrenie. Het TOPFIT onderzoek laat zien dat fitness-therapie psychotische en depressieve symptomen vermindert en de cardiovasculaire fitheid vergroot.

    contactadres
    e-m: t.w.scheewe apenstaart umcutrecht.nl


    B - Verbetering cognitieve en fysieke fitheid in de langdurige GGz
    mw. drs. M. van Wezep, onderzoeker
    dr. H. Kroon, programmahoofd
    mw. drs. K. Overweg, jr. onderzoeker
    Programma Reïntegratie, Trimbos instituut

    De training 'cognitieve fitness in de langdurige GGZ' speelt in op twee problemen waar mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen vaak mee kampen: een ongezonde leefstijl, gekoppeld aan een hoog gewicht én problemen in het cognitief functioneren (planning, aandacht, geheugen).
    Deze neurocognitieve training van ruim een uur combineert fitness-oefeningen met cognitieve elementen die de hersenen bewust activeren. De training wordt afgesloten met ontspanningsoefeningen.

    Er zijn aanwijzingen dat een training die deze 3 elementen combineert extra effectief is.
    Vanaf april 2011 zijn 40 deelnemers uit 3 GGz-instellingen aan de slag gegaan met deze 12-weekse training. Het Trimbos instituut test en evalueert de training. Hiervoor worden zowel kwantitatieve (vragenlijst, inspanningstest en neurocognitieve testen) als ook kwalitatieve (interviews en observaties) methoden uitgevoerd.

    Het Fonds Psychische Gezondheid, subsidiegever van dit project, zorgt voor nieuws, informatie en ervaringsverhalen over het project cognitieve fitness op de website http://www.psychischegezondheid.nl/cognitievefitness

    Programma:

    • korte achtergrond literatuur over lichamelijke inspanning en cognitieve rehabilitatie bij mensen met schizofrenie
    • mini-workshop cognitieve fitness: aanwezigen kunnen aan de lijve ondervinden wat de training inhoudt
    • resultaten van de pilot cognitieve fitness.

    contactadres
    Trimbos-instituut
    Afd. Reintegratie
    mw.drs. M. J. van Wezep
    Da Costakade 45
    3521 VS Utrecht
    tel.: 030-2959341
    e-m: mwezep apenstaart trimbos.nl

    30) Samen tegen Stigma II
    ronde II

    A - Zelfstigma en werk

    mw. MSc. E. Horsselenberg, gz-psycholoog, cognitief gedragstherapeut VGCt i.o.,
    mw. MSc. K. Helmus, gz-psycholoog i.o., cognitief gedragstherapeut VGCt i.o.,
    Psychosecircuit, GGz Noord-Drenthe, Assen

    Denk na voordat je labelt!
    Elk persoon wil gezien worden als een speciaal en uniek wezen en een ieder van ons heeft dromen, verlangens en behoeften.

    Mensen met schizofrenie zijn gek
    Mensen met schizofrenie zijn gevaarlijk
    Ik heb schizofrenie, dus ik kan niet werken
    Ik kan geen waardevolle bijdrage leveren aan de maatschappij, omdat ik schizofrenie heb

    Aan schizofrenie kleeft een hardnekkig stigma. Stigma ten aanzien van psychische stoornissen manifesteert zich op twee manieren: in een publiek stigma en in zelfstigma.
    Publiek stigma is de reactie van de samenleving op mensen met een psychiatrische aandoening.
    Zelfstigma ontstaat naar aanleiding van publiek stigma. Zelfstigma impliceert dat mensen met psychische aandoeningen zich niet alleen bewust zijn van het publieke stigma, maar ook zelf in deze opvattingen gaan geloven en deze gaan toepassen op zichzelf. Dit leidt tot een afname van het zelfvertrouwen en het gevoel goed om te kunnen gaan met allerlei situaties, waardoor mensen de moed opgeven, gedemoraliseerd raken en bepaalde maatschappelijke doelen niet meer nastreven. Ze stoppen bijvoorbeeld met het zoeken naar werk of een partner. Dit wordt het ‘Why try’ effect genoemd. Uit recent onderzoek blijkt dat 42% van de mensen met schizofrenie een hoge mate van zelfstigma rapporteert.

    In de workshop wordt men bewust gemaakt van dit probleem en worden interventies besproken om stigma te bestrijden.

    Contactadres
    GGZ Drenthe
    Psychosecircuit
    Dennenweg 9
    9404 RA Assen
    tel: 06-23050505
    e-m: k.helmus apenstaart ggzdrenthe.nl
    ellen.horsselenberg apenstaart ggzdrenthe.nl

    A - Effectieve publieksinterventies
    prof. dr. J. van Weeghel, directeur wetenschap
    Kenniscentrum Phrenos

    Contactadres
    e-m: jweeghel apenstaart kcphrenos.nl

    B - Beter met de media tegen stigma
    M. van ’t Klooster, communicatieadviseur
    Communicatie met Beleid

    Media spelen een belangrijke rol in de beeld- en meningsvorming.
    Om stigmatisering van mensen en behandeling rond schizofrenie terug te dringen is omgaan met de media belangrijk. Daarvoor zijn mediakennis en - vaardigheden onmisbaar.

    Programma:

    • Voorbeelden van samenwerking tussen professionals in de media en GGz
    • Oefenen in beter omgaan met de media

    Contactadres
    M.G. van ’t Klooster
    Communicatie met beleid
    Dommeringdreef 76
    4562 AL UTRECHT
    tel.: 06-51604659
    e-m: info apenstaart martin van 't Klooster.com

    31) In 8 stappen naar Zorgpaden voor de Complexe Langdurige Zorg
    ronde II

    mw. drs. M. Elferink, psycholoog
    programmaleider
    C. Baars, clustermanager
    Programma Psychose
    Pro Persona, Nijmegen

    In 2008 is binnen GGz Nijmegen, nu Pro Persona Nijmegen, een project gestart om zorgpaden te ontwikkelen. De directe aanleiding was drieledig: de wens om doelmatiger te willen werken, de behoefte aan zicht en sturing op het verloop van zorgprocessen en de wens om zorgprogramma's tot leven te laten komen op de werkvloer. Het ontwikkelen van zorgpaden leek hiervoor een geschikt instrument.

    Voor diverse zorgprogramma's zijn paden ontwikkeld, ook voor de doelgroep Complexe Langdurende Zorg. Hiervan zijn in Nederland nog maar weinig voorbeelden te vinden.Gedurende het project zijn een aantal tools ontwikkeld die helpen om zorgpaden te ontwerpen. Zo is een methodiek ontstaan waarin afdelingen en zorgprogramma's geholpen worden om zorgpaden te ontwikkelen in maximaal 8 stappen. Uitgangspunten bij de paden is steeds: goede zorg, doelmatige zorg, goede service en transparantie. In zorgpaden wordt de meest doelmatige behandeling volgens de recente inzichten en richtlijnen zo helder en doeltreffend mogelijk geformuleerd.

    Dus: in 8 stappen van zorgprogramma naar zorgpaden, het kan!
    Het uiteindelijke doel is dat cliënten tevreden zijn over de behandeling en de bereikte resultaten. Met behulp van zorgpaden wordt inzichtelijk, voor zowel cliënt als behandelaar, welk behandeltraject wordt gevolgd, op welke wijze en wanneer er wordt geëvalueerd en hoe dat wordt gemeten en wat er mogelijk is na het doorlopen van een zorgpad.

    In de workshop wordt stil gestaan bij nut en noodzaak van zorgpaden voor de Langdurende Zorg en wordt de methodiek toegelicht.De workshop is vooral bedoeld voor behandelaars, (zorg) programmaleiders, managers en beleidsmedewerkers.
    De docenten zijn beiden vanaf de start betrokken geweest bij de ontwikkeling van zorgpaden in Nijmegen. Zij vormen samen het expertteam Zorgpaden dat kan worden ingeschakeld bij het maken van zorgpaden.

    Programma:

    De 8 stappen en de daarbij behorende instrumenten worden toegelicht . Vervolgens zullen de deelnemers aan de slag gaan om één of meerdere zorgpaden te ontwikkelen voor de doelgroep Complexe Langdurende Zorg.

    Contactadres
    Pro Persona
    Zorgprogramma Complexe Langdurende Zorg
    mw. drs. M.B. Elfrink
    sr. beleidsmedewerker, programmaleider Psychose
    Nijmeegsebaan 61
    6525 DX Nijmegen
    tel.:024-3283322
    e-m:m.elfrink apenstaart propersona.nl

    32) Familie II
    ronde II

    A) De kracht van Familie in de Triade (FIT): van papier naar praktijk
    A. Verschuur, projectleider FIT-project, SLKF, Utrecht

    Familieleden en naastbetrokkenen kunnen een onmisbare bron van informatie en steun zijn bij de behandeling, het herstel en de rehabilitatie van GGZ-cliënten. Maar dan moeten medewerkers van de GGZ-instelling hen wel zien staan, informeren, bij de zorg betrekken en – indien nodig – ondersteunen bij de problemen, die zij in de rol van naastbetrokkene zelf ervaren.
    Om een goede relatie tussen hulpverleners en familieleden van GGz-cliënten te waarborgen, hebben veel GGz-instellingen - aansluitend bij de Modelregeling ‘Betrokken omgeving’ – familiebeleid ontwikkeld. Maar papier blijkt geduldig en de praktijk weerbarstig. En de verschillen zijn groot, niet alleen tussen maar ook binnen instellingen.
    Hoe kunnen GGz-instellingen het familiebeleid daadwerkelijk in de praktijk brengen? Dat is de kernvraag van het project ‘De kracht van Familie In de Triade ‘ (FIT-project) van de Stichting Landelijke Koepel Familieraden in de GGz (SLKF).
    Doel van dit project is het ondersteunen van familieraden bij het bevorderen van familiebeleid in GGz-instellingen. In vijf pilot-instellingen zijn daartoe werkconferenties met sleutelfiguren georganiseerd. Tijdens deze werkconferenties zijn kennis en informatie verzameld, visies ontwikkeld en plannen gemaakt, die in de loop van 2011 worden uitgevoerd en in 2012 geëvalueerd.
    Het beoogde eindproduct van het FIT-project is een Handleiding voor de ontwikkeling, implementatie en borging van het familiebeleid. Deze handleiding zal waardevolle informatie bevatten, niet alleen voor familieraden, maar ook voor beleidsmedewerkers, managers en hulpverleners in GGZ-instellingen, die het familiebeleid daadwerkelijk in de praktijk willen brengen.
    In het eerste deel van deze workshop presenteren we delen van deze handleiding en gaan we met de deelnemers in gesprek over concrete mogelijkheden en belemmeringen om familiebeleid in de dagelijkse zorgpraktijk te brengen. De theorie van John P. Kotter over het leiding geven aan veranderingen in organisaties gebruiken we daarbij als kapstok. In onze visie vraagt de implementatie en borging van familiebeleid namelijk om grote veranderingen in het gedrag, de vaardigheden en houding van individuele medewerkers en in de werkprocessen en cultuur van GGZ-instellingen.

    Programma:
    Het eerste deel van deze workshop heeft de vorm van een interactieve lezing, afgewisseld met enkele Nederlandstalige luisterliedjes.

    • liedje “Spiegel”
      Stap 1: een gevoel van urgentie
    • voor wie is familiebeleid belangrijk?
      Stap 2: een leidende coalitie
    • wie is eigenaar van het familiebeleid?
      Stap 3: een gemeenschappelijke visie
    • wat willen we met familiebeleid bereiken?
      Stap 4: de visie communiceren
    • liedje “Moet” hoe motiveer je medewerkers om het familiebeleid in de praktijk te brengen?
      Stap 5: maatregelen nemen om de visie in de praktijk te brengen
    • wat hebben medewerkers nodig om familiebeleid in de praktijk te brengen?
      Stap 6: quick wins realiseren
    • hoe krijg en houd je de vaart in het veranderingsproces?
      Stap 7: permanent verbeteren
    • hoe veranker je het familiebeleid in de dagelijkse zorgpraktijk van medewerkers?
    • liedje “Leef je droom”


    contactadres
    Stichting Landelijke Koepel Familieraden in de GGz (SLKF)
    ir. A.B.C. Verschuur, projectleider
    Maliebaan 71-M
    3581 CG Utrecht
    tel.: 06-22712901
    e-m: info apenstaart arjanverschuur.nl

    B) Levenslang broer/zus van: hoe?
    mw. drs. K. Smits, adviseur en ervaringsdeskundige, Kwintes, Zeist

    De relatie tussen broers en zussen behoort tot de meest duurzame in het leven. Het is daarom zinvol deze relaties met zorg te onderhouden. Als in een familie een broer of zus een psychiatrische aandoening heeft kan dit het aangaan en behouden van die relatie en een goed contact in de weg staan.
    Ypsilon, Kwintes en RINO groep ontwikkelden een cursus met doel het contact tussen broers/zussen en familieleden met een langdurende psychiatrische beperking (schizofrenie) te verbeteren en/of te herstellen. En ook werd beoogd de kwaliteit van leven van alle familieleden te verhogen. Nagegaan is welke invloed de cursus had op betrokkenen.
    De resultaten tonen aan dat de kracht van de cursus een combinatie is van informatievoorziening, uitwisseling van kennis en het uitvoeren van relationele activiteiten tussen de familieleden. Onder leiding van ervaringsdeskundige cursusleiders bleek het programma de verstandhouding tussen broers en zussen en het familielid met schizofrenie positief te hebben beïnvloed.
    Dat resultaat bevestigt de uitkomsten van intern onderzoek bij Kwintes.

    Ook daaruit bleek dat sociale contacten en het steunsysteem van vitaal belang zijn voor cliënten en bovendien hun plezier in het leven vergroten. Kwintes gaat door met extra aandacht geven aan versterking van het sociale netwerk van cliënten met hulp van leidinggevenden, medewerkers in samen-werking met familieleden en andere betrokkenen. In oktober 2011 start een nieuwe cursus voor broers en zussen met thema ‘broerzusvan’ levenslang: hoe?

    Programma:
    Samenvatting bevindingen pilotcursus contactherstel
    Ervaringen bij werving deelnemers nieuwe cursus voor ‘broerzusvan’
    Verkenning van thema broer/zus van levenslang: hoe?
    Discussie a.d.h.v. vragen van deelnemers over deel A en B.

    contactadres
    Kwintes
    Afd. Zorg, Kwaliteit en Communicatie
    mw. drs. K.A. Smits,
    adviseur zorg en kwaliteit
    Postbus 3700
    3700 AA Zeist
    tel.: 06-27071884
    e-m: k.smits apenstaart kwintes.nl

    33) Beter worden doe je thuis
    ronde II

    B. den Drijver, verpleegkundige
    mw. drs. R. Kwant, psychiater
    Mw. S. Rijlaarsdam, verpleegkundige
    Crisisopname Olvendijk
    D. Happee, SPV, coördinator wijkteam centrum Alkmaar
    Divisie Langdurende Psychiatrie, GGz NHN, Heiloo

    In de eigen woonomgeving van de cliënt werken ambulante en klinische zorg zo intensief mogelijk samen met de cliënt en diens omgeving, om opname te voorkomen of in ieder geval te bekorten.
    Uiteindelijk moet dit ertoe leiden dat mensen minder vaak worden opgenomen, dat hulpverleners minder vaak dwangmiddelen hoeven in te zetten en dat cliënten vaker beter kunnen werken aan herstel.
    Wij hebben vanuit de visie op crisiszorg de open unit gesloten en de opschalingsmogelijkheden van behandeling in de thuissituatie uitgebreid door inzet van klinisch verpleegkundigen in de avonduren en weekenden.

    Programma:
    Stilgestaan wordt er bij de positie van de kliniek in het ontwikkelen van een optimaal transmuraal model, de ontschotting tussen ambulante wijkteams en een crisisopname-afdeling.
    Op welke wijze leveren medewerkers van de crisisopname en de verwijzende teams een optimale bijdrage, hoe wordt de zorgafstemming inhoud en vorm gegeven.
    Wat zijn de belangrijkste veranderingen, kansen, bedreigingen en resultaten tot nu toe voor cliënten, hun familie en GGZ-hulpverleners.

    contactadres
    GGZ Noord Holland Noord
    Crisisopname Olvendijk
    mw. R. Kwant
    psychiater/ inhoudelijk beleidsverantwoordelijke
    Postbus 18
    1850 BA Heiloo
    tel.: 072 – 5312 315
    e-m: r.kwant apenstaart ggz-nhn.nl

    34) Slecht ziekte-inzicht bij schizofrenie
    ronde II

    drs. P. Quee, promovendus /psycholoog, Faculteit Medische Wetenschappen
    /UMCG & Rob Giel Onderzoekcentrum)
    mw. dr. L. van der Meer, post-doctoraal onderzoeker / psycholoog, *
    Neuroimaging Center, Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG
    * Lentis: Linis; afdeling langdurige rehabilitatie Zuidlaren
    mw. drs. A. de Vos, promovendus / psycholoog
    * Faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen
    * Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG
    * Psychosecircuit, GGZ Drenthe te Assen

    Een gebrek aan ziekte-inzicht is een veelvoorkomend verschijnsel bij patiënten met een psychotische stoornis. In mindere mate geldt dit ook voor andere psychiatrische stoornissen. Het zorgt voor grote problemen in de omgang met familieleden en andere naastbetrokkenen. Een gebrek aan ziekte-inzicht is ook een klinisch relevant probleem, omdat het vaak leidt tot een verminderde therapietrouw. Patiënten met een gebrekkig inzicht ontkennen of bagatelliseren hun ziekte, en zijn niet geneigd om de aanwezige symptomen toe te schrijven aan een psychiatrische stoornis.

    Programma:
    Uit de literatuur weten we dat er een significante relatie bestaat tussen cognitief functioneren en ziekte-inzicht, maar dat deze relatie beperkt is.
    Dat betekent dat er andere factoren moeten zijn die een rol spelen bij slecht ziekte-inzicht. Het zou kunnen dat de ernst van de symptomen samenhangt met slecht ziekte-inzicht. Gevoelsmatig klinkt dit logisch en er is inderdaad wel een relatie tussen ernst van symptomen en slecht ziekte-inzicht gevonden. Maar ook deze relatie is beperkt.
    In zijn presentatie zal Piotr Quee dieper ingaan op deze relatie tussen sociale
    processen, neurocognitieve factoren en symptomen met slecht ziekte-inzicht.

    Naast neuropsychologische factoren die samenhangen met slecht ziekte-inzicht, zal de neurale basis van zelf-reflectie bij slecht ziekte-inzicht besproken worden.Onder zelf-reflectie verstaan we het proces waarbij mensen hun eigen gedrag en karaktertrekken beoordelen. Deze vaardigheid is belangrijk om reacties vanuit de omgeving op jezelf en op je gedrag te evalueren en mee te nemen in nieuwe situaties. Wanneer dergelijke zelf-reflectie processen verstoord zijn, kan dit gevolgen hebben
    voor het correct evalueren van de eigen vaardigheden en eigenschappen.
    Uit ander onderzoek weten we dat patiënten die beschadigingen hebben in de hersengebieden die betrokken zijn bij zelf-reflectie vaak hun eigen capaciteiten en prestaties overschatten. Het is goed mogelijk dat incorrecte zelf-reflectie tevens ten grondslag ligt aan slecht ziekte-inzicht bij patiënten met schizofrenie.
    Lisette van der Meer zal hersenactiviteit bij schizofreniepatiënten voor zelf-reflectie en de relatie met ziekte-inzicht presenteren.

    Een verminderde vaardigheid tot zelf-reflectie is één van de kernpunten, waar de interventie ontwikkeld door Marieke Pijnenborg, op gericht is (REFLEX).
    Het REFLEX-programma is gebaseerd op het idee dat patiënten met slecht ziekte-inzicht minder goed presteren op het aannemen van het perspectief van anderen en daarmee de vaardigheid om jezelf door de ogen van een ander te bekijken (Theory of Mind). Dit verhindert de mogelijkheid tot zelf-reflectie en kan bij patiënten met schizofrenie leiden tot slecht ziekte-inzicht. De interventie is gericht op het verbeteren van de Theory of Mind en de vaardigheid tot zelf-reflectie. Na de presentatie van de interventie door Annerieke de Vos zal een demonstratie volgen van de REFLEX training en krijgen deelnemers de gelegenheid te oefenen met het interventiemateriaal.

    contactadres
    Neuroimaging Center, Faculteit Medische Wetenschappen/UMCG
    Afdeling Neurowetenschappen
    mw. dr. L. van der Meer
    Post-doctoraal onderzoeker
    Postbus 196
    9700 AD Groningen
    tel.: 050-3638999 / 0628259303
    e-m:l.van.der.meer apenstaart med.umcg.nl

    Laatst aangepast (maandag 05 december 2011 16:22)